fantoom
zelfstandig naamwoordBetekenis
- spook, droombeeld
- oefenpop gebruikt in geneeskundig onderwijs
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| fantomen | meervoud |
| fantoompje | verkleinwoord, enkelvoud |
| fantoompjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘spook’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1287
Woordfamilie van fantoom
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| fantomen | meervoud | fantoom |
| fantoompje | verkleinwoord | fantoom |
| fantoompjes | verkleinwoord meervoud | fantoom |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van fantoom zijn vastgelegd.