flitsen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈflɪtsə(n)Betekenis
- een flits veroorzaken, maken of gebruiken
- auto's fotograferen die te snel rijden om een boete te kunnen geven
- een snelle beweging maken
- heftig maar kort aanwezig zijn
Hoe spreek je flitsen uit?
/ˈflɪtsən/
Flitsen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| f | fiets |
| l | land |
| ɪ | pit |
| t | tak |
| s | sok |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van flitsen
flitsenhele werkwoord — flitsteverleden tijd enkelvoud — flitstenverleden tijd meervoud — geflitstvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | flits | flitste |
| jij | flitst | flitste |
| hij, zij, het | flitst | flitste |
| wij | flitsen | flitsten |
| jullie | flitsen | flitsten |
| zij | flitsen | flitsten |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is geflitst | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geflitst | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geflitst | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geflitst | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geflitst worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geflitst zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geflitst worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geflitst zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| flits | gebiedende wijs |
| flitse | aanvoegende wijs |
| flitsend | onvoltooid, deelwoord |
| flitste | verleden tijd |
| geflitst | verleden tijd, deelwoord |
| geflitst te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geflitst zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geflitst | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geflitst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geflitst | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geflitst | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geflitst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geflitst | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geflitst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geflitst | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geflitst | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geflitst | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geflitst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geflitst | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geflitst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geflitst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geflitst | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te flitsen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geflitst | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen flitsen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal flitsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal flitsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal flitsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geflitst hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geflitst hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geflitst hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou flitsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou flitsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou flitsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geflitst hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geflitst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geflitst hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden flitsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden flitsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden flitsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geflitst hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geflitst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geflitst hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt flitsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geflitst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen flitsen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen flitsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen flitsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen flitsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geflitst hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geflitst hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geflitst hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult flitsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geflitst hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord flits
Herkomst
In de betekenis van ‘bloot over straat rennen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1976
Woordfamilie van flitsen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| flitse | aanvoegende wijs | flitsen |
| flitst | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | flitsen |
| flitste | verleden tijd | flitsen |
| flitsten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | flitsen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van flitsen zijn vastgelegd.