Naar de inhoud

spiegelen

een operatie waarbij de afstand tot een spiegellijn in twee, of een spiegelvlak in drie dimensies in richting omgekeerd wordt

spiegelen

werkwoord ˈspiɣələ(n)

Betekenis

  1. een operatie waarbij de afstand tot een spiegellijn in twee, of een spiegelvlak in drie dimensies in richting omgekeerd wordt
  2. het verschuiven van koopwaar naar de voorste rand van een schap om de indruk te wekken dat het schap vol is
  3. een vorm van niet-verbale communicatie waarbij de ene gesprekspartner bewegingen van de ander, zoals het kruisen van de benen navolgt
  4. zich ~ aan zich vergelijken met de vermeende omstandigheden van anderen

Hoe spreek je spiegelen uit?

/ˈspixələn/

Spiegelen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈspixələn/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
s sok
p pak
i riet
x acht
ə de
l land
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van spiegelen

spiegelenhele werkwoord — spiegeldeverleden tijd enkelvoud — spiegeldenverleden tijd meervoud — gespiegeldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik spiegel spiegelde
jij spiegelt spiegelde
hij, zij, het spiegelt spiegelde
wij spiegelen spiegelden
jullie spiegelen spiegelden
zij spiegelen spiegelden
Alle 89 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
gespiegeld verleden tijd, deelwoord
gespiegeld te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gespiegeld zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gespiegeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gespiegeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gespiegeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gespiegeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gespiegeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gespiegeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gespiegeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gespiegeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gespiegeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gespiegeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gespiegeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gespiegeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gespiegeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gespiegeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gespiegeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
spiegel gebiedende wijs
spiegel me eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
spiegel u/je , spiegelt je gebiedende wijs
spiegelde verleden tijd
spiegelde je tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
spiegelde me eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud
spiegelde u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
spiegelde u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
spiegelde zich derde persoon, verleden tijd, enkelvoud
spiegelde zich/u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
spiegelde zich/u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
spiegelden je tweede persoon, verleden tijd, meervoud
spiegelden ons eerste persoon, verleden tijd, meervoud
spiegelden zich derde persoon, verleden tijd, meervoud
spiegele aanvoegende wijs
spiegele zich aanvoegende wijs
spiegelen je tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
spiegelen ons eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
spiegelen zich derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
spiegelend onvoltooid, deelwoord
spiegelt je tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
spiegelt u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
spiegelt u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
spiegelt zich derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
spiegelt zich/u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
spiegelt zich/u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
te hebben gespiegeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te spiegelen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen spiegelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal gespiegeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gespiegeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gespiegeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal me spiegelen eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal spiegelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal spiegelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal spiegelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal zich spiegelen derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je spiegelen tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich gespiegeld hebben verleden tijd
zich spiegelend onvoltooid, deelwoord
zou gespiegeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gespiegeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gespiegeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou spiegelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou spiegelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou spiegelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gespiegeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gespiegeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gespiegeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden spiegelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden spiegelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden spiegelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gespiegeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt spiegelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gespiegeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gespiegeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gespiegeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen je spiegelen tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen ons spiegelen eerste persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen spiegelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen spiegelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen spiegelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen spiegelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen zich spiegelen derde persoon, toekomende tijd, meervoud
zult gespiegeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult spiegelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult u spiegelen tweede persoon
zult u spiegelen tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zult zich/u spiegelen tweede persoon
zult zich/u spiegelen tweede persoon, toekomende tijd, meervoud

Herkomst

Afgeleid van spiegel met het achtervoegsel -en

Woordfamilie van spiegelen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gespiegeld voltooid deelwoord spiegelen
spiegelde verleden tijd spiegelen
spiegelden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon spiegelen
spiegele aanvoegende wijs spiegelen
spiegelt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon spiegelen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van spiegelen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over spiegelen

Hoe spreek je spiegelen uit?
De uitspraak van spiegelen is: /ˈspiɣələ(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent spiegelen?
Spiegelen is een werkwoord. Het woord betekent: een operatie waarbij de afstand tot een spiegellijn in twee, of een spiegelvlak in drie dimensies in richting omgekeerd wordt. Deze pagina beschrijft 4 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je spiegelen?
Je vervoegt spiegelen als volgt: de tegenwoordige tijd is spiegel, de verleden tijd is spiegelde en het voltooid deelwoord is gespiegeld. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op spiegelen?

In dit woordenboek rijmen 2 woorden op -elen op spiegelen, zoals giechelen en wiegelen. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op spiegelen, uitspraak ˈspixələn, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
giechelen 3
wiegelen 3

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord spiegelen is 16 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. S 2
  2. P 3
  3. I 1
  4. E 1
  5. G 3
  6. E 1
  7. L 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 16 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

spiegelen levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 78 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. S 2
  2. P 4
  3. I 2
  4. E 1
  5. G 3
  6. E 1
  7. L 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 zonder bonus
  11. 78 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

spiegelen in het kort

spiegelen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 4 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van spiegelen zijn 60 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort spiegelen bij een woordfamilie van 5 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

spiegelen: een operatie waarbij de afstand tot een spiegellijn in twee, of een spiegelvlak in drie dimensies in richting omgekeerd wordt
Deel spiegelen — standaardnederlands.nl