spiegelen
werkwoord ˈspiɣələ(n)Betekenis
- een operatie waarbij de afstand tot een spiegellijn in twee, of een spiegelvlak in drie dimensies in richting omgekeerd wordt
- het verschuiven van koopwaar naar de voorste rand van een schap om de indruk te wekken dat het schap vol is
- een vorm van niet-verbale communicatie waarbij de ene gesprekspartner bewegingen van de ander, zoals het kruisen van de benen navolgt
- zich ~ aan zich vergelijken met de vermeende omstandigheden van anderen
Hoe spreek je spiegelen uit?
/ˈspixələn/
Spiegelen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| p | pak |
| i | riet |
| x | acht |
| ə | de |
| l | land |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van spiegelen
spiegelenhele werkwoord — spiegeldeverleden tijd enkelvoud — spiegeldenverleden tijd meervoud — gespiegeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | spiegel | spiegelde |
| jij | spiegelt | spiegelde |
| hij, zij, het | spiegelt | spiegelde |
| wij | spiegelen | spiegelden |
| jullie | spiegelen | spiegelden |
| zij | spiegelen | spiegelden |
Alle 89 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gespiegeld | verleden tijd, deelwoord |
| gespiegeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gespiegeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gespiegeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gespiegeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gespiegeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gespiegeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gespiegeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gespiegeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gespiegeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gespiegeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gespiegeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gespiegeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gespiegeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gespiegeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gespiegeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gespiegeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gespiegeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| spiegel | gebiedende wijs |
| spiegel me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| spiegel u/je , spiegelt je | gebiedende wijs |
| spiegelde | verleden tijd |
| spiegelde je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| spiegelde me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| spiegelde u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| spiegelde u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| spiegelde zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| spiegelde zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| spiegelde zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| spiegelden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| spiegelden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| spiegelden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| spiegele | aanvoegende wijs |
| spiegele zich | aanvoegende wijs |
| spiegelen je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| spiegelen ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| spiegelen zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| spiegelend | onvoltooid, deelwoord |
| spiegelt je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| spiegelt u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| spiegelt u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| spiegelt zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| spiegelt zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| spiegelt zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| te hebben gespiegeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te spiegelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen spiegelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gespiegeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gespiegeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gespiegeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal me spiegelen | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal spiegelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal spiegelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal spiegelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal zich spiegelen | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je spiegelen | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich gespiegeld hebben | verleden tijd |
| zich spiegelend | onvoltooid, deelwoord |
| zou gespiegeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gespiegeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gespiegeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou spiegelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou spiegelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou spiegelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gespiegeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gespiegeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gespiegeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden spiegelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden spiegelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden spiegelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gespiegeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt spiegelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gespiegeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gespiegeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gespiegeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen je spiegelen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons spiegelen | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen spiegelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen spiegelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen spiegelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen spiegelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen zich spiegelen | derde persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult gespiegeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult spiegelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult u spiegelen | tweede persoon |
| zult u spiegelen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult zich/u spiegelen | tweede persoon |
| zult zich/u spiegelen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
Herkomst
Afgeleid van spiegel met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van spiegelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gespiegeld | voltooid deelwoord | spiegelen |
| spiegelde | verleden tijd | spiegelen |
| spiegelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | spiegelen |
| spiegele | aanvoegende wijs | spiegelen |
| spiegelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | spiegelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van spiegelen zijn vastgelegd.