smokkelen
werkwoord /ˈsmɔ.kə.lə(n)/Betekenis
- wederrechtelijk goederen over een grens brengen om heffingen te ontduiken
Hoe spreek je smokkelen uit?
/ˈsmɔkələn/
Smokkelen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| m | maan |
| ɔ | bot |
| k | kat |
| ə | de |
| l | land |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van smokkelen
smokkelenhele werkwoord — smokkeldeverleden tijd enkelvoud — smokkeldenverleden tijd meervoud — gesmokkeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | smokkel | smokkelde |
| jij | smokkelt | smokkelde |
| hij, zij, het | smokkelt | smokkelde |
| wij | smokkelen | smokkelden |
| jullie | smokkelen | smokkelden |
| zij | smokkelen | smokkelden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gesmokkeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gesmokkeld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gesmokkeld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gesmokkeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gesmokkeld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gesmokkeld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gesmokkeld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gesmokkeld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gesmokkeld | verleden tijd, deelwoord |
| gesmokkeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesmokkeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gesmokkeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gesmokkeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gesmokkeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gesmokkeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gesmokkeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gesmokkeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gesmokkeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gesmokkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesmokkeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gesmokkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesmokkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gesmokkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gesmokkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesmokkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesmokkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| smokkel | gebiedende wijs |
| smokkelde | verleden tijd |
| smokkele | aanvoegende wijs |
| smokkelend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gesmokkeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te smokkelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen smokkelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gesmokkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gesmokkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gesmokkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal smokkelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal smokkelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal smokkelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gesmokkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gesmokkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gesmokkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou smokkelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou smokkelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou smokkelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gesmokkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gesmokkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gesmokkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden smokkelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden smokkelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden smokkelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gesmokkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt smokkelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gesmokkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gesmokkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gesmokkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen smokkelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen smokkelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen smokkelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen smokkelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gesmokkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult smokkelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘heimelijk vervoeren’ voor het eerst aangetroffen in 1615
Woordfamilie van smokkelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gesmokkeld | voltooid deelwoord | smokkelen |
| gesmokkelde | woordvorm | smokkelen |
| smokkelde | verleden tijd | smokkelen |
| smokkelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | smokkelen |
| smokkele | aanvoegende wijs | smokkelen |
| smokkelend | onvoltooid deelwoord | smokkelen |
| smokkelende | woordvorm | smokkelen |
| smokkelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | smokkelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van smokkelen zijn vastgelegd.