kokkelen
werkwoord ˈkɔkələ(n)Betekenis
- een geluid voortbrengen zoals dat van een hoen
- door houding en aanrakingen innige genegenheid laten blijken
- verzamelen
Hoe spreek je kokkelen uit?
/ˈkɔkələn/
Kokkelen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| ɔ | bot |
| ə | de |
| l | land |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- bepaalde eetbare schelpdieren Cerastoderma edule verzamelen unergative
Vervoeging van kokkelen
kokkelenhele werkwoord — kokkeldeverleden tijd enkelvoud — kokkeldenverleden tijd meervoud — gekokkeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | kokkel | kokkelde |
| jij | kokkelt | kokkelde |
| hij, zij, het | kokkelt | kokkelde |
| wij | kokkelen | kokkelden |
| jullie | kokkelen | kokkelden |
| zij | kokkelen | kokkelden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gekokkeld | verleden tijd, deelwoord |
| gekokkeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gekokkeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gekokkeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gekokkeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gekokkeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gekokkeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gekokkeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gekokkeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gekokkeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gekokkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gekokkeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gekokkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gekokkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gekokkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gekokkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gekokkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gekokkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| kokkel | gebiedende wijs |
| kokkelde | verleden tijd |
| kokkele | aanvoegende wijs |
| kokkelend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gekokkeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te kokkelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen kokkelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gekokkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gekokkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gekokkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal kokkelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal kokkelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal kokkelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gekokkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gekokkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gekokkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou kokkelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou kokkelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou kokkelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gekokkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gekokkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gekokkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden kokkelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden kokkelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden kokkelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gekokkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt kokkelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gekokkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gekokkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gekokkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen kokkelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen kokkelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen kokkelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen kokkelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gekokkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult kokkelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
[1] klanknabootsing, vergelijk klokken ww en kakelen ww
Woordfamilie van kokkelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gekokkeld | voltooid deelwoord | kokkelen |
| kokkelde | verleden tijd | kokkelen |
| kokkelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | kokkelen |
| kokkele | aanvoegende wijs | kokkelen |
| kokkelend | onvoltooid deelwoord | kokkelen |
| kokkelende | woordvorm | kokkelen |
| kokkelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | kokkelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kokkelen zijn vastgelegd.