schuimen
werkwoordBetekenis
- gasbellen voortbrengen op het grensvlak van een vloeistof en de lucht
- van schuim ontdoen
werkwoord
- roven, stelen transitive
Vervoeging van schuimen
schuimenhele werkwoord — schuimdeverleden tijd enkelvoud — schuimdenverleden tijd meervoud — geschuimdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | schuim | schuimde |
| jij | schuimt | schuimde |
| hij, zij, het | schuimt | schuimde |
| wij | schuimen | schuimden |
| jullie | schuimen | schuimden |
| zij | schuimen | schuimden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is geschuimd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geschuimd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geschuimd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geschuimd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geschuimd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geschuimd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geschuimd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geschuimd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geschuimd | verleden tijd, deelwoord |
| geschuimd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geschuimd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geschuimd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geschuimd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geschuimd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geschuimd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geschuimd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geschuimd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geschuimd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geschuimd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geschuimd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geschuimd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geschuimd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geschuimd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geschuimd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geschuimd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geschuimd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| schuim | gebiedende wijs |
| schuimde | verleden tijd |
| schuime | aanvoegende wijs |
| schuimend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geschuimd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te schuimen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen schuimen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geschuimd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geschuimd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geschuimd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal schuimen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal schuimen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal schuimen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geschuimd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geschuimd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geschuimd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou schuimen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou schuimen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou schuimen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geschuimd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geschuimd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geschuimd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden schuimen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden schuimen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden schuimen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geschuimd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt schuimen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geschuimd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geschuimd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geschuimd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen schuimen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen schuimen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen schuimen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen schuimen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geschuimd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult schuimen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van schuim met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van schuimen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geschuimd | voltooid deelwoord | schuimen |
| geschuimde | woordvorm | schuimen |
| schuimde | verleden tijd | schuimen |
| schuimden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | schuimen |
| schuime | aanvoegende wijs | schuimen |
| schuimt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | schuimen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schuimen zijn vastgelegd.