schuilen
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- zich verbergen
- ongezien aanwezig zijn
Vervoeging van schuilen
schuilenhele werkwoord — schoolverleden tijd enkelvoud — scholenverleden tijd meervoud — gescholenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | schuil | school |
| jij | schuilt | school |
| hij, zij, het | schuilt | school |
| wij | schuilen | scholen |
| jullie | schuilen | scholen |
| zij | schuilen | scholen |
Alle 77 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gescholen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gescholen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gescholen | verleden tijd, deelwoord |
| gescholen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| gescholen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| gescholen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| gescholen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| gescholen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| gescholen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| gescholen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| gescholen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| gescholen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| gescholen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| gescholen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| gescholen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| gescholen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gescholen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geschuild | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geschuild | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geschuild | verleden tijd, deelwoord |
| had geschuild | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geschuild | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geschuild | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geschuild | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geschuild | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geschuild | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geschuild | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geschuild | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geschuild | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geschuild | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geschuild | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geschuild | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebt geschuild | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geschuild | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geschuild | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| school | verleden tijd |
| schuil | gebiedende wijs |
| schuilde | verleden tijd |
| schuile | aanvoegende wijs |
| schuilend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geschuild | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te schuilen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen schuilen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geschuild | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geschuild | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geschuild | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal schuilen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal schuilen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal schuilen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geschuild | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geschuild | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geschuild | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou schuilen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou schuilen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou schuilen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geschuild | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geschuild | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geschuild | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden schuilen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden schuilen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden schuilen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geschuild | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt schuilen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geschuild | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geschuild | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geschuild | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen schuilen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen schuilen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen schuilen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen schuilen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geschuild | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult schuilen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord schuil
Herkomst
In de betekenis van ‘zich verbergen’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Woordfamilie van schuilen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gescholen | voltooid deelwoord | schuilen |
| geschuild | voltooid deelwoord | schuilen |
| schuilde | verleden tijd | schuilen |
| schuilden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | schuilen |
| schuile | aanvoegende wijs | schuilen |
| schuilend | onvoltooid deelwoord | schuilen |
| schuilende | woordvorm | schuilen |
| schuilt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | schuilen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schuilen zijn vastgelegd.