Naar de inhoud

samenlopen

zich in een punt verenigen

samenlopen is meer dan één woord

samenlopen

werkwoord, zelfstandig naamwoord

Betekenis

  1. zich in een punt verenigen

Vervoeging van samenlopen

samenlopenhele werkwoord — liep samenverleden tijd enkelvoud — liepen samenverleden tijd meervoud — samengelopenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik loop samen liep samen
jij loopt samen liep samen
hij, zij, het loopt samen liep samen
wij lopen samen liepen samen
jullie lopen samen liepen samen
zij lopen samen liepen samen
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben samengelopen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent samengelopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. gebiedende wijs
is samengelopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is samengelopen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
liep samen verleden tijd
loop samen gebiedende wijs
samen te lopen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
samen te zullen lopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
samen zal lopen bijzin, toekomende tijd
samen zou lopen bijzin, voorwaardelijk
samen zouden lopen bijzin, voorwaardelijk
samen zoudt lopen bijzin, voorwaardelijk
samen zullen lopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
samen zullen lopen bijzin, toekomende tijd
samen zult lopen bijzin, toekomende tijd
samengelopen verleden tijd, deelwoord
samengelopen te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
samengelopen zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
samenliep bijzin, verleden tijd
samenliepen bijzin, verleden tijd
samenloop bijzin, tegenwoordige tijd
samenloopt bijzin, tegenwoordige tijd
samenlopend onvoltooid, deelwoord
te zijn samengelopen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen samenlopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart samengelopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren samengelopen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren samengelopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren samengelopen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was samengelopen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was samengelopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was samengelopen voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal samengelopen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal samengelopen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal samengelopen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal samenlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal samenlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal samenlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal samenlopen bijzin, toekomende tijd
zijn samengelopen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn samengelopen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn samengelopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn samengelopen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt samengelopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou samengelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou samengelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou samengelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou samenlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou samenlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou samenlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou samenlopen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) samenlopen samen zou(dt) lopen bijzin, voorwaardelijk
zouden samengelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden samengelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden samengelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden samenlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden samenlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden samenlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden samenlopen bijzin, voorwaardelijk
zoudt samengelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt samenlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt samenlopen bijzin, voorwaardelijk
zullen samengelopen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen samengelopen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen samengelopen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen samenlopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen samenlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen samenlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen samenlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen samenlopen bijzin, toekomende tijd
zult samengelopen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult samenlopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult samenlopen bijzin, toekomende tijd
zult/zal samenlopen samen zult/zal lopen bijzin, toekomende tijd

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord samenloop

Herkomst

samenstelling van samen en lopen

Woordfamilie van samenlopen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
liep samen verleden tijd samenlopen
liepen samen aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon samenlopen
loop samen gebiedende wijs samenlopen
loopt samen aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon samenlopen
lope samen woordvorm samenlopen
lopen samen aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon samenlopen
samengelopen voltooid deelwoord samenlopen
samenliep subordinate-clause, verleden tijd samenlopen
samenliepen subordinate-clause, verleden tijd samenlopen
samenloopt subordinate-clause, tegenwoordige tijd samenlopen
samenlope with-subordinate-clause samenlopen
samenlopend onvoltooid deelwoord samenlopen
samenlopende woordvorm samenlopen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van samenlopen zijn vastgelegd.

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over samenlopen

Wat is de betekenis van samenlopen?
Samenlopen is een werkwoord. De betekenis is: zich in een punt verenigen.
Hoe vervoeg ik samenlopen?
Zo vervoeg je samenlopen zo: het voltooid deelwoord is samengelopen. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord samenlopen is 17 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. S 2
  2. A 1
  3. M 3
  4. E 1
  5. N 1
  6. L 3
  7. O 1
  8. P 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 17 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

samenlopen levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 78 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. S 2
  2. A 1
  3. M 3
  4. E 1
  5. N 1
  6. L 3
  7. O 1
  8. P 4
  9. E 1
  10. N 1
  11. 18 zonder bonus
  12. 78 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

samenlopen in het kort

samenlopen is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Wat het is, hangt af van de zin. Van samenlopen staan er 46 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort samenlopen bij een woordfamilie van 13 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

samenlopen: zich in een punt verenigen
Deel samenlopen — standaardnederlands.nl