samenkomen
werkwoordBetekenis
- bij elkaar verzamelen
werkwoord
- bij elkaar komen, bij elkaar horen
Vervoeging van samenkomen
samenkomenhele werkwoord — kwam samenverleden tijd enkelvoud — kwamen samenverleden tijd meervoud — samengekomenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | kom samen | kwam samen |
| jij | komt samen | kwaamt samen |
| hij, zij, het | komt samen | kwam samen |
| wij | komen samen | kwamen samen |
| jullie | komen samen | kwamen samen |
| zij | komen samen | kwamen samen |
Alle 76 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben samengekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent samengekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is samengekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is samengekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| kom samen | gebiedende wijs |
| kwam samen | verleden tijd |
| samen te komen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| samen te zullen komen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| samen zal komen | bijzin, toekomende tijd |
| samen zou komen | bijzin, voorwaardelijk |
| samen zouden komen | bijzin, voorwaardelijk |
| samen zoudt komen | bijzin, voorwaardelijk |
| samen zullen komen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| samen zullen komen | bijzin, toekomende tijd |
| samen zult komen | bijzin, toekomende tijd |
| samengekomen | verleden tijd, deelwoord |
| samengekomen te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| samengekomen zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| samenkom | bijzin, tegenwoordige tijd |
| samenkomend | onvoltooid, deelwoord |
| samenkomt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| samenkwaamt | bijzin, verleden tijd |
| samenkwam | bijzin, verleden tijd |
| samenkwamen | bijzin, verleden tijd |
| te zijn samengekomen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen samenkomen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart samengekomen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren samengekomen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren samengekomen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren samengekomen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was samengekomen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was samengekomen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was samengekomen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal samengekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal samengekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal samengekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal samenkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal samenkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal samenkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal samenkomen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn samengekomen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn samengekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn samengekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn samengekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt samengekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou samengekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou samengekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou samengekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou samenkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou samenkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou samenkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou samenkomen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) samenkomen samen zou(dt) komen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden samengekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden samengekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden samengekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden samenkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden samenkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden samenkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden samenkomen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt samengekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt samenkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt samenkomen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen samengekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen samengekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen samengekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen samenkomen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen samenkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen samenkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen samenkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen samenkomen | bijzin, toekomende tijd |
| zult samengekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult samenkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult samenkomen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal samenkomen samen zult/zal komen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van samen en komen
Woordfamilie van samenkomen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kom samen | gebiedende wijs | samenkomen |
| kome samen | woordvorm | samenkomen |
| komen samen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | samenkomen |
| komt samen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | samenkomen |
| kwam samen | verleden tijd | samenkomen |
| kwamen samen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | samenkomen |
| samengekomen | voltooid deelwoord | samenkomen |
| samenkom | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | samenkomen |
| samenkome | with-subordinate-clause | samenkomen |
| samenkomend | onvoltooid deelwoord | samenkomen |
| samenkomende | woordvorm | samenkomen |
| samenkomt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | samenkomen |
| samenkwam | subordinate-clause, verleden tijd | samenkomen |
| samenkwamen | subordinate-clause, verleden tijd | samenkomen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van samenkomen zijn vastgelegd.