roesten
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈrustə(n)Betekenis
- het langzaam oxideren van ijzerhoudende materialen
- door roest vast gaan zitten
- (kippen) op stok zitten
- het in groepen doorbrengen van de nacht van vliegend wild
Hoe spreek je roesten uit?
/ˈrustən/
Roesten bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| r | rood |
| u | boek |
| s | sok |
| t | tak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- op stok zitten
Vervoeging van roesten
roestenhele werkwoord — roestteverleden tijd enkelvoud — roesttenverleden tijd meervoud — geroestvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | roest | roestte |
| jij | roest | roestte |
| hij, zij, het | roest | roestte |
| wij | roesten | roestten |
| jullie | roesten | roestten |
| zij | roesten | roestten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| geroest | verleden tijd, deelwoord |
| geroest te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geroest zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geroest | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geroest | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geroest | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geroest | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geroest | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geroest | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geroest | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geroest | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geroest | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geroest | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geroest | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geroest | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geroest | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geroest | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geroest | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| roest | gebiedende wijs |
| roeste | aanvoegende wijs |
| roestend | onvoltooid, deelwoord |
| roestte | verleden tijd |
| te hebben geroest | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te roesten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen roesten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geroest hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geroest hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geroest hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal roesten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal roesten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal roesten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geroest hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geroest hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geroest hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou roesten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou roesten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou roesten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geroest hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geroest hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geroest hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden roesten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden roesten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden roesten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geroest hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt roesten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geroest hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geroest hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geroest hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen roesten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen roesten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen roesten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen roesten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geroest hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult roesten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
zelfstandig naamwoord
- een klasse Pucciniomycetes binnen het rijk van de schimmels (Fungi), behorend tot de stam van Basidiomycota. Roesten veroorzaken ziekten bij planten. De schimmels tasten het blad aan. Ze komen onder andere voor op granen, gras en prei. In Nederland komen ongeveer 200 roestschimmels voor. De levenscyclus bestaat uit vijf stadia, die op twee verschillende waardplanten doorlopen worden
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord roest
Herkomst
Afgeleid van roest.
Woordfamilie van roesten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geroest | voltooid deelwoord | roesten |
| roeste | aanvoegende wijs | roesten |
| roestend | onvoltooid deelwoord | roesten |
| roestende | woordvorm | roesten |
| roestte | verleden tijd | roesten |
| roestten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | roesten |
| geroeste | woordvorm | geroest |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van roesten zijn vastgelegd.