roest
zelfstandig naamwoord, werkwoord rustBetekenis
- een rood- of bruingele bedekking aan de oppervlakte van ijzer die ontstaat door aantasting door de zuurstof van de lucht
- een schimmel behorende tot de Urediniomycetes, een klasse binnen het rijk van de Fungi, behorend tot de stam van Basidiomycota
- een roestkleur
- een rustplek voor hoenders, een kippenhok
- het nachtleger van vliegend wild, met name van kraaiachtigen
- uitwerpselen van met name patrijzen bij hoopjes, bij de gulplaats
Hoe spreek je roest uit?
/rust/
Roest bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| r | rood |
| u | boek |
| s | sok |
| t | tak |
zelfstandig naamwoord — neuter
- of een rood- of bruingele bedekking aan de oppervlakte van ijzer die ontstaat door aantasting door de zuurstof van de lucht masculine, neuter
- benaming voor schimmels uit de klasse Pucciniomycetes masculine
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| roesten | enkelvoud |
| roestje | verkleinwoord |
| roestjes | verkleinwoord, enkelvoud |
Woordvorm
- enkelvoud tegenwoordige tijd van roesten
- gebiedende wijs van roesten
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van roezen
- derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van roezen
- gebiedende wijs meervoud van roezen
Vervoeging van roest
roesthele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘metaaluitslag’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1287
Woordfamilie van roest
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| roestje | verkleinwoord | roest |
| roestjes | verkleinwoord | roest |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van roest zijn vastgelegd.