hoesten
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈhustə(n)Betekenis
- een reflexmatige explosieve uitademing, die ontstaat bij prikkeling van de luchtwegen en deze reinigt van slijm en vreemde voorwerpen
Hoe spreek je hoesten uit?
/ˈhustən/
Hoesten bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| u | boek |
| s | sok |
| t | tak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- reflexmatige explosief uitademen bij prikkeling van de luchtwegen om deze te reinigen van slijm en vreemde voorwerpen unergative
Vervoeging van hoesten
hoestenhele werkwoord — hoestteverleden tijd enkelvoud — hoesttenverleden tijd meervoud — gehoestvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | hoest | hoestte |
| jij | hoest | hoestte |
| hij, zij, het | hoest | hoestte |
| wij | hoesten | hoestten |
| jullie | hoesten | hoestten |
| zij | hoesten | hoestten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gehoest | verleden tijd, deelwoord |
| gehoest te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gehoest zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gehoest | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gehoest | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gehoest | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gehoest | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gehoest | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gehoest | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gehoest | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gehoest | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gehoest | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gehoest | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gehoest | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gehoest | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gehoest | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gehoest | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gehoest | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hoest | gebiedende wijs |
| hoeste | aanvoegende wijs |
| hoestend | onvoltooid, deelwoord |
| hoestte | verleden tijd |
| te hebben gehoest | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hoesten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen hoesten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gehoest hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gehoest hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gehoest hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal hoesten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal hoesten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal hoesten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gehoest hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gehoest hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gehoest hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou hoesten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou hoesten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou hoesten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gehoest hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gehoest hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gehoest hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden hoesten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden hoesten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden hoesten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gehoest hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt hoesten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gehoest hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gehoest hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gehoest hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen hoesten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen hoesten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen hoesten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen hoesten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gehoest hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult hoesten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord hoest
Herkomst
ww van Middelnederlands hoesten, op te vatten als afgeleid van hoest zn met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van hoesten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gehoest | voltooid deelwoord | hoesten |
| hoeste | aanvoegende wijs | hoesten |
| hoestend | onvoltooid deelwoord | hoesten |
| hoestende | woordvorm | hoesten |
| hoestte | verleden tijd | hoesten |
| hoestten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | hoesten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hoesten zijn vastgelegd.