roer
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- vlak waarmee de besturing van een schip of een vliegtuig geregeld wordt
- stuurmiddel van een schip
- lokvogel.
- de buis van een pijp (om te roken)
- roeier (mannelijke vorm)
- roeister (vrouwelijke vorm)
- kluiven, knagen
zelfstandig naamwoord — neuter
- geweer
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| (roers) | meervoud |
| roeren | meervoud |
| roertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| roertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van roeren
- gebiedende wijs van roeren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van roeren
Vervoeging van roer
roerhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘geweer’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1450
Woordfamilie van roer
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| roers | meervoud | roer |
| roertje | verkleinwoord | roer |
| roertjes | verkleinwoord meervoud | roer |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van roer zijn vastgelegd.