rillen
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- een onwillekeurige schuddende beweging maken van koude of afschuw
Vervoeging van rillen
rillenhele werkwoord — rildeverleden tijd enkelvoud — rildenverleden tijd meervoud — gerildvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ril | rilde |
| jij | rilt | rilde |
| hij, zij, het | rilt | rilde |
| wij | rillen | rilden |
| jullie | rillen | rilden |
| zij | rillen | rilden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gerild | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gerild | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gerild | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gerild | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gerild worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gerild zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gerild worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gerild zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gerild | verleden tijd, deelwoord |
| gerild te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gerild zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gerild | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gerild | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gerild | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gerild | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gerild | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gerild | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gerild | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gerild | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gerild | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gerild | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gerild | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gerild | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gerild | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gerild | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gerild | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ril | gebiedende wijs |
| rilde | verleden tijd |
| rille | aanvoegende wijs |
| rillend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gerild | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te rillen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen rillen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gerild hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gerild hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gerild hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal rillen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal rillen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal rillen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gerild hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gerild hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gerild hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou rillen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou rillen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou rillen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gerild hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gerild hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gerild hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden rillen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden rillen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden rillen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gerild hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt rillen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gerild hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gerild hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gerild hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen rillen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen rillen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen rillen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen rillen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gerild hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult rillen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord ril
Herkomst
In de betekenis van ‘trillen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1678
Woordfamilie van rillen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gerild | voltooid deelwoord | rillen |
| gerilde | woordvorm | rillen |
| rilden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | rillen |
| rilt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | rillen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van rillen zijn vastgelegd.