huiveren
werkwoord ˈhœyvərə(n)Betekenis
- rillen van verkilling, afschuw of angst
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Hoe spreek je huiveren uit?
/ˈhœyvərən/
Huiveren bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| œy | huis |
| v | vis |
| ə | de |
| r | rood |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van huiveren
huiverenhele werkwoord — huiverdeverleden tijd enkelvoud — huiverdenverleden tijd meervoud — gehuiverdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | huiver | huiverde |
| jij | huivert | huiverde |
| hij, zij, het | huivert | huiverde |
| wij | huiveren | huiverden |
| jullie | huiveren | huiverden |
| zij | huiveren | huiverden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gehuiverd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gehuiverd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gehuiverd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gehuiverd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gehuiverd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gehuiverd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gehuiverd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gehuiverd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gehuiverd | verleden tijd, deelwoord |
| gehuiverd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gehuiverd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gehuiverd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gehuiverd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gehuiverd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gehuiverd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gehuiverd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gehuiverd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gehuiverd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gehuiverd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gehuiverd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gehuiverd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gehuiverd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gehuiverd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gehuiverd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gehuiverd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gehuiverd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| huiver | gebiedende wijs |
| huiverde | verleden tijd |
| huivere | aanvoegende wijs |
| huiverend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gehuiverd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te huiveren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen huiveren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gehuiverd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gehuiverd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gehuiverd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal huiveren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal huiveren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal huiveren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gehuiverd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gehuiverd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gehuiverd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou huiveren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou huiveren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou huiveren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gehuiverd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gehuiverd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gehuiverd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden huiveren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden huiveren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden huiveren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gehuiverd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt huiveren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gehuiverd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gehuiverd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gehuiverd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen huiveren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen huiveren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen huiveren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen huiveren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gehuiverd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult huiveren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘rillen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1573
Woordfamilie van huiveren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gehuiverd | voltooid deelwoord | huiveren |
| huiverde | verleden tijd | huiveren |
| huiverden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | huiveren |
| huivere | aanvoegende wijs | huiveren |
| huiverend | onvoltooid deelwoord | huiveren |
| huiverende | woordvorm | huiveren |
| huivert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | huiveren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van huiveren zijn vastgelegd.