bibberen
werkwoordBetekenis
- hevig trillen van kou of angst
Vervoeging van bibberen
bibberenhele werkwoord — bibberdeverleden tijd enkelvoud — bibberdenverleden tijd meervoud — gebibberdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bibber | bibberde |
| jij | bibbert | bibberde |
| hij, zij, het | bibbert | bibberde |
| wij | bibberen | bibberden |
| jullie | bibberen | bibberden |
| zij | bibberen | bibberden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bibber | gebiedende wijs |
| bibberde | verleden tijd |
| bibbere | aanvoegende wijs |
| bibberend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| gebibberd | verleden tijd, deelwoord |
| gebibberd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebibberd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gebibberd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gebibberd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gebibberd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gebibberd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gebibberd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gebibberd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gebibberd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gebibberd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebibberd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gebibberd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebibberd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gebibberd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gebibberd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebibberd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebibberd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te bibberen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gebibberd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen bibberen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal bibberen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal bibberen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal bibberen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gebibberd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebibberd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gebibberd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou bibberen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou bibberen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou bibberen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gebibberd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebibberd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebibberd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bibberen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bibberen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bibberen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gebibberd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebibberd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebibberd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt bibberen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gebibberd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen bibberen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen bibberen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bibberen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bibberen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gebibberd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gebibberd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gebibberd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult bibberen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gebibberd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘rillen’ voor het eerst aangetroffen in 1794
Woordfamilie van bibberen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bibber | gebiedende wijs | bibberen |
| bibberde | verleden tijd | bibberen |
| bibberden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | bibberen |
| bibbere | aanvoegende wijs | bibberen |
| bibbert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | bibberen |
| gebibberd | voltooid deelwoord | bibberen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bibberen zijn vastgelegd.