resulteren
werkwoordBetekenis
- tot gevolg hebben
Vervoeging van resulteren
resulterenhele werkwoord — resulteerdeverleden tijd enkelvoud — resulteerdenverleden tijd meervoud — geresulteerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | resulteer | resulteerde |
| jij | resulteert | resulteerde |
| hij, zij, het | resulteert | resulteerde |
| wij | resulteren | resulteerden |
| jullie | resulteren | resulteerden |
| zij | resulteren | resulteerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| geresulteerd | verleden tijd, deelwoord |
| geresulteerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geresulteerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geresulteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geresulteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geresulteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geresulteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geresulteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geresulteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geresulteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geresulteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geresulteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geresulteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geresulteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geresulteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geresulteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geresulteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geresulteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| resulteer | gebiedende wijs |
| resulteerde | verleden tijd |
| resultere | aanvoegende wijs |
| resulterend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geresulteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te resulteren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen resulteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geresulteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geresulteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geresulteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal resulteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal resulteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal resulteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geresulteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geresulteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geresulteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou resulteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou resulteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou resulteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geresulteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geresulteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geresulteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden resulteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden resulteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden resulteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geresulteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt resulteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geresulteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geresulteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geresulteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen resulteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen resulteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen resulteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen resulteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geresulteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult resulteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘voortvloeien uit’ voor het eerst aangetroffen in 1595
Woordfamilie van resulteren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geresulteerd | voltooid deelwoord | resulteren |
| resulteer | gebiedende wijs | resulteren |
| resulteerde | verleden tijd | resulteren |
| resulteerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | resulteren |
| resulteert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | resulteren |
| resultere | aanvoegende wijs | resulteren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van resulteren zijn vastgelegd.