rectificeren
werkwoordBetekenis
- een gemaakte fout verbeteren
Vervoeging van rectificeren
rectificerenhele werkwoord — rectificeerdeverleden tijd enkelvoud — rectificeerdenverleden tijd meervoud — gerectificeerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | rectificeer | rectificeerde |
| jij | rectificeert | rectificeerde |
| hij, zij, het | rectificeert | rectificeerde |
| wij | rectificeren | rectificeerden |
| jullie | rectificeren | rectificeerden |
| zij | rectificeren | rectificeerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gerectificeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gerectificeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gerectificeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gerectificeerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gerectificeerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gerectificeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gerectificeerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gerectificeerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gerectificeerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gerectificeerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gerectificeerd | verleden tijd, deelwoord |
| gerectificeerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gerectificeerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gerectificeerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gerectificeerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gerectificeerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gerectificeerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gerectificeerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gerectificeerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gerectificeerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gerectificeerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gerectificeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gerectificeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gerectificeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gerectificeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gerectificeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gerectificeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gerectificeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gerectificeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gerectificeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gerectificeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gerectificeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gerectificeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gerectificeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gerectificeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gerectificeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gerectificeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gerectificeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| rectificeer | gebiedende wijs |
| rectificeerde | verleden tijd |
| rectificere | aanvoegende wijs |
| rectificerend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gerectificeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te rectificeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen rectificeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gerectificeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gerectificeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gerectificeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gerectificeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gerectificeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gerectificeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gerectificeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gerectificeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gerectificeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gerectificeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gerectificeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gerectificeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gerectificeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gerectificeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gerectificeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gerectificeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gerectificeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gerectificeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gerectificeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gerectificeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gerectificeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gerectificeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gerectificeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gerectificeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gerectificeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gerectificeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gerectificeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal rectificeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal rectificeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal rectificeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gerectificeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gerectificeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gerectificeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gerectificeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gerectificeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gerectificeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gerectificeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gerectificeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gerectificeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gerectificeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gerectificeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gerectificeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gerectificeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou rectificeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou rectificeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou rectificeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gerectificeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gerectificeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gerectificeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gerectificeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gerectificeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gerectificeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gerectificeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gerectificeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gerectificeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden rectificeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden rectificeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden rectificeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gerectificeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gerectificeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gerectificeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt rectificeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gerectificeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gerectificeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gerectificeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gerectificeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gerectificeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gerectificeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gerectificeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gerectificeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gerectificeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen rectificeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen rectificeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen rectificeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen rectificeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gerectificeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gerectificeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gerectificeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult rectificeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het middeleeuws Latijn, in de betekenis van ‘rechtzetten’ voor het eerst aangetroffen in 1553
Woordfamilie van rectificeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gerectificeerd | voltooid deelwoord | rectificeren |
| gerectificeerde | woordvorm | rectificeren |
| rectificeer | gebiedende wijs | rectificeren |
| rectificeerde | verleden tijd | rectificeren |
| rectificeerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | rectificeren |
| rectificeert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | rectificeren |
| rectificere | aanvoegende wijs | rectificeren |
| rectificerend | onvoltooid deelwoord | rectificeren |
| rectificerende | woordvorm | rectificeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van rectificeren zijn vastgelegd.