Naar de inhoud

bijstellen

een naar verhouding kleine verandering aanbrengen in de instelling van iets, meestal als aanpassing aan veranderde omstandigheden

bijstellen

werkwoord

Betekenis

  1. een naar verhouding kleine verandering aanbrengen in de instelling van iets, meestal als aanpassing aan veranderde omstandigheden

Vervoeging van bijstellen

bijstellenhele werkwoord — stelde bijverleden tijd enkelvoud — stelden bijverleden tijd meervoud — bijgesteldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik stel bij stelde bij
jij stelt bij stelde bij
hij, zij, het stelt bij stelde bij
wij stellen bij stelden bij
jullie stellen bij stelden bij
zij stellen bij stelden bij
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben bijgesteld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent bijgesteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
bij te stellen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
bij te zullen stellen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
bij zal stellen bijzin, toekomende tijd
bij zou stellen bijzin, voorwaardelijk
bij zouden stellen bijzin, voorwaardelijk
bij zoudt stellen bijzin, voorwaardelijk
bij zullen stellen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
bij zullen stellen bijzin, toekomende tijd
bij zult stellen bijzin, toekomende tijd
bijgesteld verleden tijd, deelwoord
bijgesteld te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
bijgesteld te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
bijgesteld te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
bijgesteld te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
bijgesteld te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
bijgesteld worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
bijgesteld zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
bijgesteld zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
bijgesteld zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
bijgesteld zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
bijstel bijzin, tegenwoordige tijd
bijstelde bijzin, verleden tijd
bijstelden bijzin, verleden tijd
bijstellend onvoltooid, deelwoord
bijstelt bijzin, tegenwoordige tijd
er is bijgesteld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was bijgesteld impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd bijgesteld impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt bijgesteld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal bijgesteld worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal bijgesteld zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou bijgesteld worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou bijgesteld zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had bijgesteld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had bijgesteld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had bijgesteld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden bijgesteld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden bijgesteld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden bijgesteld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt bijgesteld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb bijgesteld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben bijgesteld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben bijgesteld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben bijgesteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben bijgesteld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt bijgesteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft bijgesteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft bijgesteld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is bijgesteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is bijgesteld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
stel bij gebiedende wijs
stelde bij verleden tijd
te hebben bijgesteld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen bijstellen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart bijgesteld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren bijgesteld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren bijgesteld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren bijgesteld voltooid, verleden tijd, derde persoon
was bijgesteld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was bijgesteld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was bijgesteld voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd bijgesteld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd bijgesteld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd bijgesteld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden bijgesteld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden bijgesteld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden bijgesteld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt bijgesteld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word bijgesteld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden bijgesteld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden bijgesteld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden bijgesteld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt bijgesteld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt bijgesteld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal bijgesteld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal bijgesteld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal bijgesteld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal bijgesteld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal bijgesteld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal bijgesteld zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal bijgesteld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal bijstellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal bijstellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal bijstellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal bijstellen bijzin, toekomende tijd
zijn bijgesteld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn bijgesteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn bijgesteld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt bijgesteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou bijgesteld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou bijgesteld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou bijgesteld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou bijgesteld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou bijgesteld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou bijgesteld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou bijgesteld zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou bijgesteld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou bijgesteld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou bijstellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou bijstellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou bijstellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou bijstellen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) bijstellen bij zou(dt) stellen bijzin, voorwaardelijk
zouden bijgesteld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden bijgesteld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden bijgesteld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden bijgesteld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden bijgesteld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden bijgesteld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden bijgesteld zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden bijgesteld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden bijgesteld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden bijstellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden bijstellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden bijstellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden bijstellen bijzin, voorwaardelijk
zoudt bijgesteld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt bijgesteld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt bijgesteld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt bijstellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt bijstellen bijzin, voorwaardelijk
zullen bijgesteld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen bijgesteld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen bijgesteld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen bijgesteld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen bijgesteld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen bijgesteld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen bijgesteld zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen bijgesteld zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen bijgesteld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen bijstellen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen bijstellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen bijstellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen bijstellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen bijstellen bijzin, toekomende tijd
zult bijgesteld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van bij en stellen

Woordfamilie van bijstellen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
bijgesteld voltooid deelwoord bijstellen
bijgestelde woordvorm bijstellen
bijstel subordinate-clause, tegenwoordige tijd bijstellen
bijstelde subordinate-clause, verleden tijd bijstellen
bijstelden subordinate-clause, verleden tijd bijstellen
bijstelle with-subordinate-clause bijstellen
bijstellend onvoltooid deelwoord bijstellen
bijstellende woordvorm bijstellen
bijstelt subordinate-clause, tegenwoordige tijd bijstellen
stel bij gebiedende wijs bijstellen
stelde bij verleden tijd bijstellen
stelden bij aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon bijstellen
stelle bij woordvorm bijstellen
stellen bij aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon bijstellen
stelt bij aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon bijstellen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bijstellen zijn vastgelegd.

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over bijstellen

Wat betekent bijstellen?
Bijstellen is een werkwoord. Het woord betekent: een naar verhouding kleine verandering aanbrengen in de instelling van iets, meestal als aanpassing aan veranderde omstandigheden.
Hoe vervoeg je bijstellen?
Je vervoegt bijstellen als volgt: het voltooid deelwoord is bijgesteld. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord bijstellen is 21 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. B 3
  2. I 1
  3. J 4
  4. S 2
  5. T 2
  6. E 1
  7. L 3
  8. L 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 21 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

bijstellen levert met Wordfeud minimaal 23 en maximaal 93 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. B 4
  2. I 2
  3. J 4
  4. S 2
  5. T 2
  6. E 1
  7. L 3
  8. L 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 23 zonder bonus
  12. 93 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

bijstellen in het kort

bijstellen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van bijstellen zijn 88 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort bijstellen bij een woordfamilie van 15 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

bijstellen: een naar verhouding kleine verandering aanbrengen in de instelling van iets, meestal als aanpassing aan veranderde omstandigheden
Deel bijstellen — standaardnederlands.nl