ratel
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- een eenvoudige muziek- en signaalinstrument dat geluid geeft doordat bij het rondslingeren een tandrad een latje repeterend weggedrukt en laat terugvallen
- een mechaniek met kamrad en pal, dat een asdraaiing slechts in één richting toelaat
- iemand die doorlopend praat
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ratels | meervoud |
| rateltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| rateltjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ratelen
- gebiedende wijs van ratelen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ratelen
Vervoeging van ratel
ratelhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Afrikaans, in de betekenis van ‘marterachtige’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1884
Woordfamilie van ratel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ratels | meervoud | ratel |
| rateltje | verkleinwoord | ratel |
| rateltjes | verkleinwoord meervoud | ratel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ratel zijn vastgelegd.