doorslaan
werkwoord /ˈdoːrslan/Betekenis
- (elektriciteit, van een stop) stukgaan zodat de verbinding doorbroken wordt
- alles bekennen tijdens een verhoor
- zonder enige remming, wild worden, gek worden
- te ver gaan met iets zodat het niet meer goed is
Hoe spreek je doorslaan uit?
/ˈdorslan/
Doorslaan bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| o | boot |
| r | rood |
| s | sok |
| l | land |
| a | maan |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- stukgaan zodat de verbinding doorbroken wordt
Vervoeging van doorslaan
doorslaanhele werkwoord — sloeg doorverleden tijd enkelvoud — sloegen doorverleden tijd meervoud — doorgeslagenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | sla door | sloeg door |
| jij | slaat door | sloeg door |
| hij, zij, het | slaat door | sloeg door |
| wij | slaan door | sloegen door |
| jullie | slaan door | sloegen door |
| zij | slaan door | sloegen door |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben doorgeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent doorgeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| door te slaan | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| door te zullen slaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| door zal slaan | bijzin, toekomende tijd |
| door zou slaan | bijzin, voorwaardelijk |
| door zouden slaan | bijzin, voorwaardelijk |
| door zoudt slaan | bijzin, voorwaardelijk |
| door zullen slaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| door zullen slaan | bijzin, toekomende tijd |
| door zult slaan | bijzin, toekomende tijd |
| doorgeslagen | verleden tijd, deelwoord |
| doorgeslagen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| doorgeslagen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| doorgeslagen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| doorgeslagen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| doorgeslagen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| doorgeslagen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| doorgeslagen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| doorgeslagen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| doorgeslagen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| doorgeslagen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| doorsla | bijzin, tegenwoordige tijd |
| doorslaand | onvoltooid, deelwoord |
| doorslaat | bijzin, tegenwoordige tijd |
| doorsloeg | bijzin, verleden tijd |
| doorsloegen | bijzin, verleden tijd |
| er is doorgeslagen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was doorgeslagen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd doorgeslagen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt doorgeslagen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal doorgeslagen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal doorgeslagen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou doorgeslagen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou doorgeslagen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had doorgeslagen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had doorgeslagen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had doorgeslagen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden doorgeslagen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden doorgeslagen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden doorgeslagen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt doorgeslagen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb doorgeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben doorgeslagen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben doorgeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben doorgeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben doorgeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt doorgeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft doorgeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft doorgeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is doorgeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is doorgeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| sla door | gebiedende wijs |
| sloeg door | verleden tijd |
| te hebben doorgeslagen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen doorslaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart doorgeslagen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren doorgeslagen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren doorgeslagen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren doorgeslagen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was doorgeslagen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was doorgeslagen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was doorgeslagen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd doorgeslagen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd doorgeslagen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd doorgeslagen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden doorgeslagen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden doorgeslagen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden doorgeslagen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt doorgeslagen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word doorgeslagen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden doorgeslagen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden doorgeslagen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden doorgeslagen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt doorgeslagen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt doorgeslagen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal doorgeslagen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal doorgeslagen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal doorgeslagen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal doorgeslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal doorgeslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal doorgeslagen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal doorgeslagen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal doorslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal doorslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal doorslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal doorslaan | bijzin, toekomende tijd |
| zijn doorgeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn doorgeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn doorgeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt doorgeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou doorgeslagen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou doorgeslagen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou doorgeslagen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou doorgeslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou doorgeslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou doorgeslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou doorgeslagen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou doorgeslagen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou doorgeslagen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou doorslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou doorslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou doorslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou doorslaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) doorslaan door zou(dt) slaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden doorgeslagen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden doorgeslagen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden doorgeslagen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden doorgeslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden doorgeslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden doorgeslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden doorgeslagen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden doorgeslagen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden doorgeslagen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden doorslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden doorslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden doorslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden doorslaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt doorgeslagen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt doorgeslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt doorgeslagen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt doorslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt doorslaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen doorgeslagen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen doorgeslagen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen doorgeslagen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen doorgeslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen doorgeslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen doorgeslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen doorgeslagen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen doorgeslagen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen doorgeslagen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen doorslaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen doorslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen doorslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen doorslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen doorslaan | bijzin, toekomende tijd |
| zult doorgeslagen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van door en slaan
Woordfamilie van doorslaan
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| doorgeslagen | voltooid deelwoord | doorslaan |
| doorsla | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | doorslaan |
| doorslaat | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | doorslaan |
| doorsloeg | subordinate-clause, verleden tijd | doorslaan |
| doorsloegen | subordinate-clause, verleden tijd | doorslaan |
| sla door | gebiedende wijs | doorslaan |
| slaan door | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | doorslaan |
| slaat door | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | doorslaan |
| sloeg door | verleden tijd | doorslaan |
| sloegen door | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | doorslaan |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van doorslaan zijn vastgelegd.