Naar de inhoud

puzzelen

oplossen van raadsels en puzzels

puzzelen

werkwoord

Betekenis

  1. oplossen van raadsels en puzzels
  2. tweede betekenisomschrijving
  3. enz.

werkwoord

  1. oplossen van een lastig probleem figuratively

Vervoeging van puzzelen

puzzelenhele werkwoord — puzzeldeverleden tijd enkelvoud — puzzeldenverleden tijd meervoud — gepuzzeldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik puzzel puzzelde
jij puzzelt puzzelde
hij, zij, het puzzelt puzzelde
wij puzzelen puzzelden
jullie puzzelen puzzelden
zij puzzelen puzzelden
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
gepuzzeld verleden tijd, deelwoord
gepuzzeld te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gepuzzeld zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gepuzzeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gepuzzeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gepuzzeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gepuzzeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gepuzzeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gepuzzeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gepuzzeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gepuzzeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gepuzzeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gepuzzeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gepuzzeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gepuzzeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gepuzzeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gepuzzeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gepuzzeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
puzzel gebiedende wijs
puzzelde verleden tijd
puzzele aanvoegende wijs
puzzelend onvoltooid, deelwoord
te hebben gepuzzeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te puzzelen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen puzzelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal gepuzzeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gepuzzeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gepuzzeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal puzzelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal puzzelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal puzzelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou gepuzzeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gepuzzeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gepuzzeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou puzzelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou puzzelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou puzzelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gepuzzeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gepuzzeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gepuzzeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden puzzelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden puzzelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden puzzelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gepuzzeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt puzzelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gepuzzeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gepuzzeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gepuzzeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen puzzelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen puzzelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen puzzelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen puzzelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gepuzzeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult puzzelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

Afgeleid van puzzel

Woordfamilie van puzzelen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gepuzzeld voltooid deelwoord puzzelen
puzzelde verleden tijd puzzelen
puzzelden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon puzzelen
puzzele aanvoegende wijs puzzelen
puzzelend onvoltooid deelwoord puzzelen
puzzelende woordvorm puzzelen
puzzelt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon puzzelen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van puzzelen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over puzzelen

Wat betekent puzzelen?
Puzzelen is een werkwoord. Het woord betekent: oplossen van raadsels en puzzels. Deze pagina beschrijft 4 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je puzzelen?
Je vervoegt puzzelen als volgt: de tegenwoordige tijd is puzzel, de verleden tijd is puzzelde en het voltooid deelwoord is gepuzzeld. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord puzzelen is 21 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. P 3
  2. U 4
  3. Z 4
  4. Z 4
  5. E 1
  6. L 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 21 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

puzzelen levert met Wordfeud minimaal 22 en maximaal 96 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. P 4
  2. U 2
  3. Z 5
  4. Z 5
  5. E 1
  6. L 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 22 zonder bonus
  10. 96 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (Z) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

puzzelen in het kort

puzzelen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 4 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van puzzelen zijn 32 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort puzzelen bij een woordfamilie van 7 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

puzzelen: oplossen van raadsels en puzzels
Deel puzzelen — standaardnederlands.nl