puzzelen
werkwoordBetekenis
- oplossen van raadsels en puzzels
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
werkwoord
- oplossen van een lastig probleem figuratively
Vervoeging van puzzelen
puzzelenhele werkwoord — puzzeldeverleden tijd enkelvoud — puzzeldenverleden tijd meervoud — gepuzzeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | puzzel | puzzelde |
| jij | puzzelt | puzzelde |
| hij, zij, het | puzzelt | puzzelde |
| wij | puzzelen | puzzelden |
| jullie | puzzelen | puzzelden |
| zij | puzzelen | puzzelden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gepuzzeld | verleden tijd, deelwoord |
| gepuzzeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gepuzzeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gepuzzeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gepuzzeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gepuzzeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gepuzzeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gepuzzeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gepuzzeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gepuzzeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gepuzzeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gepuzzeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gepuzzeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gepuzzeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gepuzzeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gepuzzeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gepuzzeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gepuzzeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| puzzel | gebiedende wijs |
| puzzelde | verleden tijd |
| puzzele | aanvoegende wijs |
| puzzelend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gepuzzeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te puzzelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen puzzelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gepuzzeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gepuzzeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gepuzzeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal puzzelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal puzzelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal puzzelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gepuzzeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gepuzzeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gepuzzeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou puzzelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou puzzelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou puzzelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gepuzzeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gepuzzeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gepuzzeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden puzzelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden puzzelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden puzzelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gepuzzeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt puzzelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gepuzzeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gepuzzeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gepuzzeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen puzzelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen puzzelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen puzzelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen puzzelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gepuzzeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult puzzelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van puzzel
Woordfamilie van puzzelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gepuzzeld | voltooid deelwoord | puzzelen |
| puzzelde | verleden tijd | puzzelen |
| puzzelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | puzzelen |
| puzzele | aanvoegende wijs | puzzelen |
| puzzelend | onvoltooid deelwoord | puzzelen |
| puzzelende | woordvorm | puzzelen |
| puzzelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | puzzelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van puzzelen zijn vastgelegd.