put
zelfstandig naamwoord, werkwoord /pɵt/Betekenis
- een pijpvormige uitholling in een oppervlak
- in de bodem aanwezige opening (schacht) die naar een vloeistofbron leidt
- leggen
- plaatsen
- steken
- zetten
Hoe spreek je put uit?
/pɵt/
Put bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| ɵ | put |
| t | tak |
zelfstandig naamwoord — masculine
- een geprefabriceerd reservoir, bijvoorbeeld uit beton of kunststof, bedoeld om in de grond in te graven, bijvoorbeeld een regenwaterput of een septische put
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| putje | verkleinwoord, enkelvoud |
| putjes | verkleinwoord, meervoud |
| putten | meervoud |
Woordvorm
- enkelvoud tegenwoordige tijd van putten
- gebiedende wijs van putten
Vervoeging van put
puthele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘gegraven opening met water’ voor het eerst aangetroffen in 855
Woordfamilie van put
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| putje | verkleinwoord | put |
| putjes | verkleinwoord meervoud | put |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van put zijn vastgelegd.