kut
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord, tussenwerpsel /kɵt/Betekenis
- vrouwelijk schaamdeel
- gebruikt als eerste deel van samenstelling om het negatieve karakter van het tweede deel te versterken
- afkeurenswaardig, slecht, onaangenaam
- woord gebruikt wanneer iemand schrikt of geschrokken is
Hoe spreek je kut uit?
/kɵt/
Kut bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| ɵ | put |
| t | tak |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- vervelende of domme vrouw #:⚠️ Dit gebruik van het woord roept twijfels op over de gebruiker. figuratively, pejorative, vulgar
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kutje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kutjes | verkleinwoord, meervoud |
| kutten | meervoud |
tussenwerpsel
- zware verwensing, vooral gebruikt wanneer men hevig schrikt of zwaar gefrustreerd is vulgar
Herkomst
In de betekenis van ‘vrouwelijk schaamdeel’ voor het eerst aangetroffen in 1563
Woordfamilie van kut
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kutje | verkleinwoord | kut |
| kutjes | verkleinwoord meervoud | kut |
| kutten | meervoud | kut |
| kuttende | woordvorm | kutten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kut zijn vastgelegd.