trut
zelfstandig naamwoord, werkwoord /trɵt/Betekenis
- weinig aantrekkelijke en overdreven preutse vrouw
- vagina
Hoe spreek je trut uit?
/trɵt/
Trut bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| r | rood |
| ɵ | put |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| trutje | verkleinwoord, enkelvoud |
| trutjes | verkleinwoord, meervoud |
| trutten | meervoud |
Woordvorm
- enkelvoud tegenwoordige tijd van trutten
- gebiedende wijs van trutten
Vervoeging van trut
truthele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘zeurderige vrouw’ voor het eerst aangetroffen in 1899
Woordfamilie van trut
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| trutje | verkleinwoord | trut |
| trutjes | verkleinwoord meervoud | trut |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van trut zijn vastgelegd.