pulsen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈpʏlsə(n)Betekenis
- een grondboormethode: een buis, die van onderen open is, op diepte drukken door grond onder uit de paal te scheppen
- stelen, huizen leeghalen (van Joden)
Hoe spreek je pulsen uit?
/ˈpʏlsən/
Pulsen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| ʏ | put |
| l | land |
| s | sok |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- methode bij grondboringen, waarbij een buis, die van onderen open is, op diepte wordt gedrukt door grond onder uit de paal te scheppen
- leeghalen van de huizen van Joden en anderen die tijdens de Duitse bezetting waren gedeporteerd of ondergedoken
Vervoeging van pulsen
pulsenhele werkwoord — pulsteverleden tijd enkelvoud — pulstenverleden tijd meervoud — gepulstvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | puls | pulste |
| jij | pulst | pulste |
| hij, zij, het | pulst | pulste |
| wij | pulsen | pulsten |
| jullie | pulsen | pulsten |
| zij | pulsen | pulsten |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gepulst | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gepulst | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gepulst | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gepulst | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gepulst worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gepulst zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gepulst worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gepulst zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gepulst | verleden tijd, deelwoord |
| gepulst te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gepulst zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gepulst | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gepulst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gepulst | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gepulst | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gepulst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gepulst | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gepulst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gepulst | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gepulst | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gepulst | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gepulst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gepulst | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gepulst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gepulst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gepulst | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| puls | gebiedende wijs |
| pulse | aanvoegende wijs |
| pulsend | onvoltooid, deelwoord |
| pulste | verleden tijd |
| te hebben gepulst | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te pulsen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen pulsen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gepulst hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gepulst hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gepulst hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal pulsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal pulsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal pulsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gepulst hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gepulst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gepulst hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou pulsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou pulsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou pulsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gepulst hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gepulst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gepulst hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden pulsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden pulsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden pulsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gepulst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt pulsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gepulst hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gepulst hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gepulst hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen pulsen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen pulsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen pulsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen pulsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gepulst hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult pulsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord puls
Herkomst
ww [1]: afgeleid van puls zn met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van pulsen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gepulst | voltooid deelwoord | pulsen |
| gepulste | woordvorm | pulsen |
| pulse | aanvoegende wijs | pulsen |
| pulsend | onvoltooid deelwoord | pulsen |
| pulsende | woordvorm | pulsen |
| pulst | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | pulsen |
| pulste | verleden tijd | pulsen |
| pulsten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | pulsen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van pulsen zijn vastgelegd.