puls
zelfstandig naamwoord, werkwoord /pʏls/Betekenis
- peul, peulvrucht
- pols, polsslag
- polsslag, pols
- impuls; kortstondige elektrische spanning of stroom (de ideale puls is oneindig kort en heeft een energieinhoud van één)
- tep
Hoe spreek je puls uit?
/pʏls/
Puls bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| ʏ | put |
| l | land |
| s | sok |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- impuls masculine
- / bij grondboring gebruikte holle cilinder om grond naar boven te halen feminine, masculine
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| pulsen | meervoud |
| pulsje | verkleinwoord, enkelvoud |
| pulsjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pulsen
- gebiedende wijs van pulsen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pulsen
Vervoeging van puls
pulshele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘stoot’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1604
Woordfamilie van puls
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| pulsje | verkleinwoord | puls |
| pulsjes | verkleinwoord meervoud | puls |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van puls zijn vastgelegd.