priem
zelfstandig naamwoord, werkwoord, bijvoeglijk naamwoordBetekenis
- handgreep met ronde, scherpgepunte staaf om kleine gaten of putjes in materiaal (leer) te steken
- klavervreter
- derde getijde van de dag, op het eerste uur
- een priemgetal zijnde
zelfstandig naamwoord — masculine
- benaming voor een bepaald soort plant, Orobanche minor
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| priemen | meervoud |
| priempje | verkleinwoord, enkelvoud |
| priempjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van priemen
- gebiedende wijs van priemen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van priemen
Vervoeging van priem
priemhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘gebed’ voor het eerst aangetroffen in 1236
Woordfamilie van priem
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| priempje | verkleinwoord | priem |
| priempjes | verkleinwoord meervoud | priem |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van priem zijn vastgelegd.