prelaat
zelfstandig naamwoordBetekenis
- kerkvorst, kerkvoogd
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| prelaatje | verkleinwoord, enkelvoud |
| prelaatjes | verkleinwoord, meervoud |
| prelaten | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘geestelijke met rechtsgebied’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Woordfamilie van prelaat
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| prelaatje | verkleinwoord | prelaat |
| prelaatjes | verkleinwoord meervoud | prelaat |
| prelaten | meervoud | prelaat |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van prelaat zijn vastgelegd.