kanunnik
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een titel die aan bepaalde geestelijken wordt verleend binnen enkele christelijke kerkgemeenschappen.
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kanunniken | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘domheer’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Woordfamilie van kanunnik
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kanunniken | meervoud | kanunnik |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kanunnik zijn vastgelegd.