bisschop
zelfstandig naamwoord /bɪsxɔp/Betekenis
- een christelijke geestelijke die aan het hoofd staat van een bisdom
Hoe spreek je bisschop uit?
/bɪsxɔp/
Bisschop bestaat uit twee lettergrepen.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɪ | pit |
| s | sok |
| x | acht |
| ɔ | bot |
| p | pak |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bisschopje | verkleinwoord, enkelvoud |
| bisschopjes | verkleinwoord, meervoud |
| bisschoppen | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘priester van de hoogste rang’ voor het eerst aangetroffen in 901
Woordfamilie van bisschop
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bisschopje | verkleinwoord | bisschop |
| bisschopjes | verkleinwoord meervoud | bisschop |
| bisschoppen | meervoud | bisschop |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bisschop zijn vastgelegd.