panter
zelfstandig naamwoord ˈpɑntərBetekenis
- luipaard
Hoe spreek je panter uit?
/ˈpɑntər/
Panter bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| ɑ | bad |
| n | nek |
| t | tak |
| ə | de |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- benaming voor verschillende grote katachtige roofdieren
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| panters | meervoud |
| pantertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| pantertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘katachtige’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1477
Woordfamilie van panter
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| panters | meervoud | panter |
| pantertje | verkleinwoord | panter |
| pantertjes | verkleinwoord meervoud | panter |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van panter zijn vastgelegd.