oscilleren
werkwoordBetekenis
- rond een vast punt heen en weer gaan van massa of energie
Vervoeging van oscilleren
oscillerenhele werkwoord — oscilleerdeverleden tijd enkelvoud — oscilleerdenverleden tijd meervoud — geoscilleerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | oscilleer | oscilleerde |
| jij | oscilleert | oscilleerde |
| hij, zij, het | oscilleert | oscilleerde |
| wij | oscilleren | oscilleerden |
| jullie | oscilleren | oscilleerden |
| zij | oscilleren | oscilleerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| geoscilleerd | verleden tijd, deelwoord |
| geoscilleerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geoscilleerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geoscilleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geoscilleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geoscilleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geoscilleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geoscilleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geoscilleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geoscilleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geoscilleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geoscilleerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geoscilleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geoscilleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geoscilleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geoscilleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geoscilleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geoscilleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| oscilleer | gebiedende wijs |
| oscilleerde | verleden tijd |
| oscillere | aanvoegende wijs |
| oscillerend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geoscilleerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te oscilleren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen oscilleren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geoscilleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geoscilleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geoscilleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal oscilleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal oscilleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal oscilleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geoscilleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geoscilleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geoscilleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou oscilleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou oscilleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou oscilleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geoscilleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geoscilleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geoscilleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden oscilleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden oscilleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden oscilleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geoscilleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt oscilleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geoscilleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geoscilleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geoscilleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen oscilleren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen oscilleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen oscilleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen oscilleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geoscilleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult oscilleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘slingeren’ voor het eerst aangetroffen in 1824
Woordfamilie van oscilleren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geoscilleerd | voltooid deelwoord | oscilleren |
| oscilleer | gebiedende wijs | oscilleren |
| oscilleerde | verleden tijd | oscilleren |
| oscilleerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | oscilleren |
| oscilleert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | oscilleren |
| oscillere | aanvoegende wijs | oscilleren |
| oscillerend | onvoltooid deelwoord | oscilleren |
| oscillerende | woordvorm | oscilleren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van oscilleren zijn vastgelegd.