oreren
werkwoordBetekenis
- een toespraak houden
- druk en met overdreven hoogdravendheid praten
Vervoeging van oreren
orerenhele werkwoord — oreerdeverleden tijd enkelvoud — oreerdenverleden tijd meervoud — georeerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | oreer | oreerde |
| jij | oreert | oreerde |
| hij, zij, het | oreert | oreerde |
| wij | oreren | oreerden |
| jullie | oreren | oreerden |
| zij | oreren | oreerden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is georeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was georeerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd georeerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt georeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal georeerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal georeerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou georeerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou georeerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| georeerd | verleden tijd, deelwoord |
| georeerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| georeerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had georeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had georeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had georeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden georeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden georeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden georeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt georeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb georeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben georeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben georeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben georeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben georeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt georeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft georeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft georeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| oreer | gebiedende wijs |
| oreerde | verleden tijd |
| orere | aanvoegende wijs |
| orerend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben georeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te oreren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen oreren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal georeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal georeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal georeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal oreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal oreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal oreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou georeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou georeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou georeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou oreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou oreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou oreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden georeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden georeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden georeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden oreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden oreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden oreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt georeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt oreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen georeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen georeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen georeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen oreren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen oreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen oreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen oreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult georeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult oreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van het Latijnse ōrāre met het achtervoegsel -eren . In de betekenis van ‘redevoering houden’ voor het eerst aangetroffen in 1561
Woordfamilie van oreren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| georeerd | voltooid deelwoord | oreren |
| oreer | gebiedende wijs | oreren |
| oreerde | verleden tijd | oreren |
| oreerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | oreren |
| oreert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | oreren |
| orere | aanvoegende wijs | oreren |
| orerend | onvoltooid deelwoord | oreren |
| orerende | woordvorm | oreren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van oreren zijn vastgelegd.