oratie
zelfstandig naamwoordBetekenis
- rede, redevoering, speech, toespraak
- (in het bijzonder:) rede uitgesproken door een hoogleraar bij de ambtsaanvaarding
- gebed, vooral bepaalde gebeden in de mis
zelfstandig naamwoord
- rede uitgesproken door een hoogleraar bij de ambtsaanvaarding
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| oraties | meervoud |
| oratietje | verkleinwoord, enkelvoud |
| oratietjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘toespraak’ voor het eerst aangetroffen in 1548
Woordfamilie van oratie
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| oraties | meervoud | oratie |
| oratietje | verkleinwoord | oratie |
| oratietjes | verkleinwoord meervoud | oratie |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van oratie zijn vastgelegd.