oratorium
zelfstandig naamwoordBetekenis
- geestelijk zangstuk voor orkest, zangsolisten en koor en zonder rekwisieten
- (rooms-katholiek) niet-openbaar bidvertrek
zelfstandig naamwoord — neuter
- niet-openbaar bidvertrek
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| oratoria | meervoud |
| oratoriumpje | verkleinwoord, enkelvoud |
| oratoriumpjes | verkleinwoord, meervoud |
| oratoriums | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘bidvertrek’ voor het eerst aangetroffen in 1650
Woordfamilie van oratorium
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| oratoria | meervoud | oratorium |
| oratoriumpje | verkleinwoord | oratorium |
| oratoriumpjes | verkleinwoord meervoud | oratorium |
| oratoriums | meervoud | oratorium |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van oratorium zijn vastgelegd.