Naar de inhoud

opvrijen

de partner in de stemming brengen

opvrijen

werkwoord

Betekenis

  1. de partner in de stemming brengen
  2. trachten iets gedaan te krijgen

Vervoeging van opvrijen

opvrijenhele werkwoord — vree opªverleden tijd enkelvoud — vreeën opªverleden tijd meervoud — opgevreeënvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik vrij op vree opª
jij vrijt op vree opª
hij, zij, het vrijt op vree opª
wij vrijen op vreeën opª
jullie vrijen op vreeën opª
zij vrijen op vreeën opª
Alle 205 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben opgevrijd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
bent opgevrijd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is opgevrijd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was opgevrijd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd opgevrijd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt opgevrijd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal opgevrijd impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal opgevrijd impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou opgevrijd impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou opgevrijd impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had opgevrijd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had opgevrijd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had opgevrijd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden opgevrijd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden opgevrijd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden opgevrijd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt opgevrijd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb opgevrijd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgevrijd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben opgevrijd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgevrijd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben opgevrijd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebt opgevrijd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgevrijd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgevrijd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is opgevrijd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is opgevrijd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
op te vrijen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
op te zullen vrijen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
op zal vrijen bijzin, toekomende tijd
op zou vrijen bijzin, voorwaardelijk
op zouden vrijen bijzin, voorwaardelijk
op zoudt vrijen bijzin, voorwaardelijk
op zullen vrijen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
op zullen vrijen bijzin, toekomende tijd
op zult vrijen bijzin, toekomende tijd
opgevreeën verleden tijd, deelwoord
opgevreeënª actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgevreeënª actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgevreeënª impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
opgevreeënª impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
opgevreeënª impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
opgevreeënª impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
opgevreeënª verleden tijd, deelwoord
opgevreeënª voltooid, verleden tijd, eerste persoon
opgevreeënª voltooid, verleden tijd, tweede persoon
opgevreeënª voltooid, verleden tijd, derde persoon
opgevreeënª voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
opgevreeënª voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
opgevreeënª voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
opgevreeënª enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
opgevreeënª enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
opgevreeënª enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
opgevreeënª enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
opgevreeënª enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
opgevreeënª enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
opgevreeënª enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
opgevreeënª enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
opgevreeënª enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
opgevreeënª enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
opgevreeënª enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
opgevreeënª enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
opgevreeënª hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
opgevreeënª hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
opgevreeënª hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
opgevreeënª hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
opgevreeënª hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
opgevreeënª hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
opgevreeënª te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgevreeënª te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgevreeënª te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgevreeënª te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgevreeënª te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgevreeënª worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
opgevreeënª worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
opgevreeënª worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgevreeënª worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
opgevreeënª worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
opgevreeënª worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
opgevreeënª worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
opgevreeënª worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
opgevreeënª worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
opgevreeënª worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
opgevreeënª worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
opgevreeënª worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
opgevreeënª worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
opgevreeënª worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
opgevreeënª worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
opgevreeënª zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
opgevreeënª zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
opgevreeënª zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgevreeënª zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
opgevreeënª zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
opgevreeënª zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
opgevreeënª zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
opgevreeënª zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
opgevreeënª zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
opgevreeënª zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgevreeënª zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgevreeënª zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgevrijd actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgevrijd actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgevrijd infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgevrijd infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgevrijd infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgevrijd infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgevrijd infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgevrijd infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgevrijd infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgevrijd infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgevrijd verleden tijd, deelwoord
opvreeª bijzin, verleden tijd
opvreeënª bijzin, verleden tijd
opvrij bijzin, tegenwoordige tijd
opvrijde bijzin, verleden tijd
opvrijden bijzin, verleden tijd
opvrijend onvoltooid, deelwoord
opvrijt bijzin, tegenwoordige tijd
te hebben opgevrijd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen opvrijen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vree op verleden tijd
vrij op gebiedende wijs
vrijde op verleden tijd
waart opgevrijd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgevrijd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren opgevrijd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgevrijd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was opgevrijd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was opgevrijd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was opgevrijd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd opgevrijd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd opgevrijd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd opgevrijd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden opgevrijd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden opgevrijd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden opgevrijd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon

Herkomst

samenstelling van op en vrijen

Woordfamilie van opvrijen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
opgevreeën voltooid deelwoord opvrijen
opgevrijd voltooid deelwoord opvrijen
opgevrijde woordvorm opvrijen
opvree with-subordinate-clause opvrijen
opvreeën with-subordinate-clause opvrijen
opvrij subordinate-clause, tegenwoordige tijd opvrijen
opvrijde subordinate-clause, verleden tijd opvrijen
opvrijden subordinate-clause, verleden tijd opvrijen
opvrije with-subordinate-clause opvrijen
opvrijend onvoltooid deelwoord opvrijen
opvrijende woordvorm opvrijen
opvrijt subordinate-clause, tegenwoordige tijd opvrijen
vree op verleden tijd opvrijen
vreeën op woordvorm opvrijen
vrij op gebiedende wijs opvrijen
vrijde op verleden tijd opvrijen
vrijden op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon opvrijen
vrije op woordvorm opvrijen
vrijen op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon opvrijen
vrijt op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon opvrijen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opvrijen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over opvrijen

Wat betekent opvrijen?
Opvrijen is een werkwoord. Het woord betekent: de partner in de stemming brengen. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je opvrijen?
Je vervoegt opvrijen als volgt: het voltooid deelwoord is opgevreeën. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord opvrijen is 17 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. P 3
  3. V 4
  4. R 2
  5. I 1
  6. J 4
  7. E 1
  8. N 1
  9. 17 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

opvrijen levert met Wordfeud minimaal 19 en maximaal 81 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. P 4
  3. V 4
  4. R 2
  5. I 2
  6. J 4
  7. E 1
  8. N 1
  9. 19 zonder bonus
  10. 81 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

opvrijen in het kort

opvrijen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van opvrijen zijn 87 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort opvrijen bij een woordfamilie van 20 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

opvrijen: de partner in de stemming brengen
Deel opvrijen — standaardnederlands.nl