Naar de inhoud

opvrolijken

opmonteren, animeren

opvrolijken

werkwoord

Betekenis

  1. opmonteren, animeren

Vervoeging van opvrolijken

opvrolijkenhele werkwoord — vrolijkte opverleden tijd enkelvoud — vrolijkten opverleden tijd meervoud — opgevrolijktvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik vrolijk op vrolijkte op
jij vrolijkt op vrolijkte op
hij, zij, het vrolijkt op vrolijkte op
wij vrolijken op vrolijkten op
jullie vrolijken op vrolijkten op
zij vrolijken op vrolijkten op
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben opgevrolijkt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent opgevrolijkt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is opgevrolijkt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was opgevrolijkt impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd opgevrolijkt impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt opgevrolijkt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal opgevrolijkt worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal opgevrolijkt zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou opgevrolijkt worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou opgevrolijkt zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had opgevrolijkt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had opgevrolijkt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had opgevrolijkt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden opgevrolijkt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden opgevrolijkt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden opgevrolijkt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt opgevrolijkt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb opgevrolijkt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgevrolijkt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben opgevrolijkt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgevrolijkt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben opgevrolijkt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt opgevrolijkt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgevrolijkt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgevrolijkt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is opgevrolijkt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is opgevrolijkt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
op te vrolijken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
op te zullen vrolijken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
op zal vrolijken bijzin, toekomende tijd
op zou vrolijken bijzin, voorwaardelijk
op zouden vrolijken bijzin, voorwaardelijk
op zoudt vrolijken bijzin, voorwaardelijk
op zullen vrolijken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
op zullen vrolijken bijzin, toekomende tijd
op zult vrolijken bijzin, toekomende tijd
opgevrolijkt verleden tijd, deelwoord
opgevrolijkt te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgevrolijkt te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgevrolijkt te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgevrolijkt te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgevrolijkt te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgevrolijkt worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgevrolijkt zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgevrolijkt zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgevrolijkt zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgevrolijkt zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opvrolijk bijzin, tegenwoordige tijd
opvrolijkend onvoltooid, deelwoord
opvrolijkt bijzin, tegenwoordige tijd
opvrolijkte bijzin, verleden tijd
opvrolijkten bijzin, verleden tijd
te hebben opgevrolijkt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen opvrolijken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vrolijk op gebiedende wijs
vrolijkte op verleden tijd
waart opgevrolijkt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgevrolijkt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren opgevrolijkt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgevrolijkt voltooid, verleden tijd, derde persoon
was opgevrolijkt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was opgevrolijkt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was opgevrolijkt voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd opgevrolijkt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd opgevrolijkt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd opgevrolijkt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden opgevrolijkt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden opgevrolijkt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden opgevrolijkt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt opgevrolijkt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word opgevrolijkt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden opgevrolijkt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden opgevrolijkt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden opgevrolijkt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt opgevrolijkt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt opgevrolijkt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal opgevrolijkt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgevrolijkt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal opgevrolijkt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opgevrolijkt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgevrolijkt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal opgevrolijkt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgevrolijkt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opvrolijken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal opvrolijken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal opvrolijken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal opvrolijken bijzin, toekomende tijd
zijn opgevrolijkt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn opgevrolijkt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn opgevrolijkt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt opgevrolijkt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou opgevrolijkt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgevrolijkt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgevrolijkt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opgevrolijkt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgevrolijkt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou opgevrolijkt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgevrolijkt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgevrolijkt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgevrolijkt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opvrolijken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou opvrolijken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou opvrolijken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou opvrolijken bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) opvrolijken op zou(dt) vrolijken bijzin, voorwaardelijk
zouden opgevrolijkt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgevrolijkt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgevrolijkt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgevrolijkt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opgevrolijkt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opgevrolijkt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgevrolijkt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgevrolijkt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgevrolijkt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opvrolijken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opvrolijken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opvrolijken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden opvrolijken bijzin, voorwaardelijk
zoudt opgevrolijkt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgevrolijkt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgevrolijkt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opvrolijken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt opvrolijken bijzin, voorwaardelijk
zullen opgevrolijkt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgevrolijkt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgevrolijkt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgevrolijkt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opgevrolijkt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opgevrolijkt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgevrolijkt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgevrolijkt zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgevrolijkt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opvrolijken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen opvrolijken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opvrolijken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opvrolijken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen opvrolijken bijzin, toekomende tijd
zult opgevrolijkt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

Samenstellende afleiding van op (bijwoord), vrolijk (bijvoeglijk naamwoord) en de uitgang -en van een werkwoord

Woordfamilie van opvrolijken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
opgevrolijkt voltooid deelwoord opvrolijken
opgevrolijkte woordvorm opvrolijken
opvrolijk subordinate-clause, tegenwoordige tijd opvrolijken
opvrolijke with-subordinate-clause opvrolijken
opvrolijkend onvoltooid deelwoord opvrolijken
opvrolijkende woordvorm opvrolijken
opvrolijkt subordinate-clause, tegenwoordige tijd opvrolijken
opvrolijkte subordinate-clause, verleden tijd opvrolijken
opvrolijkten subordinate-clause, verleden tijd opvrolijken
vrolijk op gebiedende wijs opvrolijken
vrolijke op woordvorm opvrolijken
vrolijken op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon opvrolijken
vrolijkt op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon opvrolijken
vrolijkte op verleden tijd opvrolijken
vrolijkten op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon opvrolijken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opvrolijken zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over opvrolijken

Wat is de betekenis van opvrolijken?
Opvrolijken is een werkwoord. De betekenis is: opmonteren, animeren.
Hoe vervoeg ik opvrolijken?
Zo vervoeg je opvrolijken zo: het voltooid deelwoord is opgevrolijkt. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord opvrolijken is 24 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. P 3
  3. V 4
  4. R 2
  5. O 1
  6. L 3
  7. I 1
  8. J 4
  9. K 3
  10. E 1
  11. N 1
  12. 24 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

opvrolijken levert met Wordfeud minimaal 26 en maximaal 102 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. P 4
  3. V 4
  4. R 2
  5. O 1
  6. L 3
  7. I 2
  8. J 4
  9. K 3
  10. E 1
  11. N 1
  12. 26 zonder bonus
  13. 102 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

opvrolijken in het kort

opvrolijken staat in dit woordenboek als werkwoord. Van opvrolijken staan er 88 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort opvrolijken bij een woordfamilie van 15 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

opvrolijken: opmonteren, animeren
Deel opvrolijken — standaardnederlands.nl