Naar de inhoud

opvriezen

opnieuw bevriezen van een vochtige ondergrond

opvriezen

werkwoord

Betekenis

  1. opnieuw bevriezen van een vochtige ondergrond
  2. omhoog komen door bevriezing van de ondergrond

Vervoeging van opvriezen

opvriezenhele werkwoord — vroor opverleden tijd enkelvoud — vroren opverleden tijd meervoud — opgevrorenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik vries op vroor op
jij vriest op vroor op
hij, zij, het vriest op vroor op
wij vriezen op vroren op
jullie vriezen op vroren op
zij vriezen op vroren op
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben opgevroren voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent opgevroren voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. gebiedende wijs
is opgevroren voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is opgevroren voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
op te vriezen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
op te zullen vriezen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
op zal vriezen bijzin, toekomende tijd
op zou vriezen bijzin, voorwaardelijk
op zouden vriezen bijzin, voorwaardelijk
op zoudt vriezen bijzin, voorwaardelijk
op zullen vriezen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
op zullen vriezen bijzin, toekomende tijd
op zult vriezen bijzin, toekomende tijd
opgevroren verleden tijd, deelwoord
opgevroren te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgevroren zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opvries bijzin, tegenwoordige tijd
opvriest bijzin, tegenwoordige tijd
opvriezend onvoltooid, deelwoord
opvroor bijzin, verleden tijd
opvroren bijzin, verleden tijd
te zijn opgevroren actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen opvriezen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vries op gebiedende wijs
vroor op verleden tijd
waart opgevroren voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgevroren voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren opgevroren voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgevroren voltooid, verleden tijd, derde persoon
was opgevroren voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was opgevroren voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was opgevroren voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal opgevroren zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgevroren zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal opgevroren zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opvriezen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal opvriezen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal opvriezen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal opvriezen bijzin, toekomende tijd
zijn opgevroren actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn opgevroren voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn opgevroren voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn opgevroren voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt opgevroren voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou opgevroren zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgevroren zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgevroren zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opvriezen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou opvriezen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou opvriezen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou opvriezen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) opvriezen op zou(dt) vriezen bijzin, voorwaardelijk
zouden opgevroren zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgevroren zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgevroren zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opvriezen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opvriezen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opvriezen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden opvriezen bijzin, voorwaardelijk
zoudt opgevroren zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opvriezen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt opvriezen bijzin, voorwaardelijk
zullen opgevroren zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgevroren zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgevroren zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opvriezen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen opvriezen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opvriezen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opvriezen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen opvriezen bijzin, toekomende tijd
zult opgevroren zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult opvriezen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult opvriezen bijzin, toekomende tijd
zult/zal opvriezen op zult/zal vriezen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van op bw en vriezen ww

Woordfamilie van opvriezen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
opgevroren voltooid deelwoord opvriezen
opvries subordinate-clause, tegenwoordige tijd opvriezen
opvriest subordinate-clause, tegenwoordige tijd opvriezen
opvrieze with-subordinate-clause opvriezen
opvriezend onvoltooid deelwoord opvriezen
opvriezende woordvorm opvriezen
opvroor subordinate-clause, verleden tijd opvriezen
opvroren subordinate-clause, verleden tijd opvriezen
vries op gebiedende wijs opvriezen
vriest op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon opvriezen
vrieze op woordvorm opvriezen
vriezen op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon opvriezen
vroor op verleden tijd opvriezen
vroren op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon opvriezen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opvriezen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over opvriezen

Wat is de betekenis van opvriezen?
Opvriezen is een werkwoord. De betekenis is: opnieuw bevriezen van een vochtige ondergrond. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik opvriezen?
Zo vervoeg je opvriezen zo: het voltooid deelwoord is opgevroren. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord opvriezen is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. P 3
  3. V 4
  4. R 2
  5. I 1
  6. E 1
  7. Z 4
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

opvriezen levert met Wordfeud minimaal 21 en maximaal 93 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. P 4
  3. V 4
  4. R 2
  5. I 2
  6. E 1
  7. Z 5
  8. E 1
  9. N 1
  10. 21 zonder bonus
  11. 93 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (Z) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

opvriezen in het kort

opvriezen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van opvriezen staan er 46 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort opvriezen bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

opvriezen: opnieuw bevriezen van een vochtige ondergrond
Deel opvriezen — standaardnederlands.nl