ontvluchten
werkwoord ɔntˈflʏxtə(n)Betekenis
- door te vluchten aan iets ontkomen
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Hoe spreek je ontvluchten uit?
/ɔntˈflʏxtən/
Ontvluchten bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɔ | bot |
| n | nek |
| t | tak |
| f | fiets |
| l | land |
| ʏ | put |
| x | acht |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van ontvluchten
ontvluchtenhele werkwoord — ontvluchtteverleden tijd enkelvoud — ontvluchttenverleden tijd meervoud — ontvluchtvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ontvlucht | ontvluchtte |
| jij | ontvlucht | ontvluchtte |
| hij, zij, het | ontvlucht | ontvluchtte |
| wij | ontvluchten | ontvluchtten |
| jullie | ontvluchten | ontvluchtten |
| zij | ontvluchten | ontvluchtten |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben ontvlucht | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent ontvlucht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is ontvlucht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is ontvlucht | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ontvlucht | gebiedende wijs |
| ontvlucht | verleden tijd, deelwoord |
| ontvlucht te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontvlucht zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontvluchte | aanvoegende wijs |
| ontvluchtend | onvoltooid, deelwoord |
| ontvluchtte | verleden tijd |
| te ontvluchten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn ontvlucht | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ontvluchten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart ontvlucht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontvlucht | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren ontvlucht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontvlucht | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was ontvlucht | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was ontvlucht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was ontvlucht | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal ontvlucht zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontvlucht zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ontvlucht zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ontvluchten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ontvluchten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ontvluchten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn ontvlucht | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn ontvlucht | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn ontvlucht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn ontvlucht | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt ontvlucht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou ontvlucht zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontvlucht zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontvlucht zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ontvluchten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ontvluchten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ontvluchten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden ontvlucht zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontvlucht zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontvlucht zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontvluchten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontvluchten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontvluchten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt ontvlucht zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ontvluchten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen ontvlucht zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ontvlucht zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ontvlucht zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ontvluchten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ontvluchten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ontvluchten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ontvluchten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult ontvlucht zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ontvluchten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van vluchten met het voorvoegsel ont-
Woordfamilie van ontvluchten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ontvlucht | voltooid deelwoord | ontvluchten |
| ontvluchtend | onvoltooid deelwoord | ontvluchten |
| ontvluchtende | woordvorm | ontvluchten |
| ontvluchtte | verleden tijd | ontvluchten |
| ontvluchtten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | ontvluchten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ontvluchten zijn vastgelegd.