Naar de inhoud

ontlaten

losmaken, vrij doen worden

ontlaten

werkwoord

Betekenis

  1. losmaken, vrij doen worden
  2. (metalen) ontharden
  3. zich ~ een onverhoedse uitspraak doen

werkwoord

  1. ontharden transitive

Vervoeging van ontlaten

ontlatenhele werkwoord — ontlietverleden tijd enkelvoud — ontlietenverleden tijd meervoud — ontlatenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik ontlaat ontliet
jij ontlaat ontliet
hij, zij, het ontlaat ontliet
wij ontlaten ontlieten
jullie ontlaten ontlieten
zij ontlaten ontlieten
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben ontlaten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent ontlaten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is ontlaten impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was ontlaten impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd ontlaten impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt ontlaten impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal ontlaten worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal ontlaten zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou ontlaten worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou ontlaten zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had ontlaten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had ontlaten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had ontlaten voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden ontlaten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden ontlaten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden ontlaten voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt ontlaten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb ontlaten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ontlaten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben ontlaten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ontlaten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben ontlaten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt ontlaten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ontlaten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ontlaten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is ontlaten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is ontlaten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
ontlaat gebiedende wijs
ontlaat je tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
ontlaat me eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
ontlaat u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
ontlaat u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
ontlaat u/je , ontlaat je gebiedende wijs
ontlaat zich derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
ontlaat zich/u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
ontlaat zich/u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
ontlate aanvoegende wijs
ontlate zich aanvoegende wijs
ontlaten verleden tijd, deelwoord
ontlaten je tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
ontlaten ons eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
ontlaten te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
ontlaten te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
ontlaten te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
ontlaten te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
ontlaten te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
ontlaten worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
ontlaten zich derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
ontlaten zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
ontlaten zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
ontlaten zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
ontlaten zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
ontlatend onvoltooid, deelwoord
ontliet verleden tijd
ontliet je tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
ontliet me eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud
ontliet u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
ontliet u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
ontliet zich derde persoon, verleden tijd, enkelvoud
ontliet zich/u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
ontliet zich/u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
ontlieten je tweede persoon, verleden tijd, meervoud
ontlieten ons eerste persoon, verleden tijd, meervoud
ontlieten zich derde persoon, verleden tijd, meervoud
te hebben ontlaten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te ontlaten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen ontlaten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart ontlaten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren ontlaten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren ontlaten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren ontlaten voltooid, verleden tijd, derde persoon
was ontlaten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was ontlaten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was ontlaten voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd ontlaten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd ontlaten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd ontlaten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden ontlaten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden ontlaten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden ontlaten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt ontlaten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word ontlaten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden ontlaten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden ontlaten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden ontlaten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt ontlaten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt ontlaten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal me ontlaten eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal ontlaten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal ontlaten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal ontlaten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal ontlaten hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ontlaten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal ontlaten hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal ontlaten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ontlaten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal ontlaten zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ontlaten zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal zich ontlaten derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je ontlaten tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich ontlaten hebben verleden tijd
zich ontlatend onvoltooid, deelwoord
zijn ontlaten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn ontlaten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn ontlaten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt ontlaten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou ontlaten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou ontlaten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou ontlaten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou ontlaten hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ontlaten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ontlaten hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou ontlaten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ontlaten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou ontlaten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ontlaten zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ontlaten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ontlaten zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ontlaten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden ontlaten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden ontlaten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden ontlaten hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden ontlaten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden ontlaten hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ontlaten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden ontlaten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden ontlaten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ontlaten zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden ontlaten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden ontlaten zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt ontlaten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt ontlaten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt ontlaten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt ontlaten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen je ontlaten tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen ons ontlaten eerste persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen ontlaten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen ontlaten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon

Woordvorm

  • voltooid deelwoord van ontlaten

Vervoeging van ontlaten

ontlatenhele werkwoord — ontlietverleden tijd enkelvoud — ontlietenverleden tijd meervoud — ontlatenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik ontlaat ontliet
jij ontlaat ontliet
hij, zij, het ontlaat ontliet
wij ontlaten ontlieten
jullie ontlaten ontlieten
zij ontlaten ontlieten
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben ontlaten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent ontlaten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is ontlaten impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was ontlaten impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd ontlaten impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt ontlaten impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal ontlaten worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal ontlaten zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou ontlaten worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou ontlaten zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had ontlaten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had ontlaten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had ontlaten voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden ontlaten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden ontlaten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden ontlaten voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt ontlaten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb ontlaten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ontlaten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben ontlaten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ontlaten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben ontlaten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt ontlaten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ontlaten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ontlaten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is ontlaten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is ontlaten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
ontlaat gebiedende wijs
ontlaat je tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
ontlaat me eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
ontlaat u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
ontlaat u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
ontlaat u/je , ontlaat je gebiedende wijs
ontlaat zich derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
ontlaat zich/u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
ontlaat zich/u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
ontlate aanvoegende wijs
ontlate zich aanvoegende wijs
ontlaten verleden tijd, deelwoord
ontlaten je tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
ontlaten ons eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
ontlaten te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
ontlaten te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
ontlaten te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
ontlaten te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
ontlaten te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
ontlaten worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
ontlaten zich derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
ontlaten zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
ontlaten zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
ontlaten zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
ontlaten zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
ontlatend onvoltooid, deelwoord
ontliet verleden tijd
ontliet je tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
ontliet me eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud
ontliet u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
ontliet u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
ontliet zich derde persoon, verleden tijd, enkelvoud
ontliet zich/u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
ontliet zich/u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
ontlieten je tweede persoon, verleden tijd, meervoud
ontlieten ons eerste persoon, verleden tijd, meervoud
ontlieten zich derde persoon, verleden tijd, meervoud
te hebben ontlaten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te ontlaten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen ontlaten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart ontlaten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren ontlaten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren ontlaten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren ontlaten voltooid, verleden tijd, derde persoon
was ontlaten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was ontlaten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was ontlaten voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd ontlaten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd ontlaten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd ontlaten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden ontlaten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden ontlaten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden ontlaten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt ontlaten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word ontlaten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden ontlaten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden ontlaten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden ontlaten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt ontlaten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt ontlaten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal me ontlaten eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal ontlaten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal ontlaten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal ontlaten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal ontlaten hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ontlaten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal ontlaten hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal ontlaten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ontlaten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal ontlaten zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ontlaten zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal zich ontlaten derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je ontlaten tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich ontlaten hebben verleden tijd
zich ontlatend onvoltooid, deelwoord
zijn ontlaten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn ontlaten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn ontlaten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt ontlaten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou ontlaten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou ontlaten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou ontlaten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou ontlaten hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ontlaten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ontlaten hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou ontlaten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ontlaten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou ontlaten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ontlaten zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ontlaten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ontlaten zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ontlaten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden ontlaten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden ontlaten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden ontlaten hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden ontlaten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden ontlaten hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ontlaten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden ontlaten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden ontlaten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ontlaten zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden ontlaten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden ontlaten zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt ontlaten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt ontlaten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt ontlaten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt ontlaten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen je ontlaten tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen ons ontlaten eerste persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen ontlaten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen ontlaten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon

Herkomst

[1],[2] afgeleid van laten met het voorvoegsel ont-

Woordfamilie van ontlaten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
ontlaat gebiedende wijs ontlaten
ontlate aanvoegende wijs ontlaten
ontlatend onvoltooid deelwoord ontlaten
ontlatende woordvorm ontlaten
ontliet verleden tijd ontlaten
ontlieten aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon ontlaten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ontlaten zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over ontlaten

Wat is de betekenis van ontlaten?
Ontlaten is een werkwoord. De betekenis is: losmaken, vrij doen worden. In totaal staan er 4 betekenissen.
Hoe vervoeg ik ontlaten?
Zo vervoeg je ontlaten zo: de tegenwoordige tijd is ontlaat, de verleden tijd is ontliet en het voltooid deelwoord is ontlaten. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord ontlaten is 12 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. N 1
  3. T 2
  4. L 3
  5. A 1
  6. T 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 12 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

ontlaten levert met Wordfeud minimaal 12 en maximaal 54 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. N 1
  3. T 2
  4. L 3
  5. A 1
  6. T 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 12 zonder bonus
  10. 54 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (L) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

ontlaten in het kort

ontlaten staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 4 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van ontlaten staan er 101 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort ontlaten bij een woordfamilie van 6 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

ontlaten: losmaken, vrij doen worden
Deel ontlaten — standaardnederlands.nl