ontlaten
werkwoordBetekenis
- losmaken, vrij doen worden
- (metalen) ontharden
- zich ~ een onverhoedse uitspraak doen
werkwoord
- ontharden transitive
Vervoeging van ontlaten
ontlatenhele werkwoord — ontlietverleden tijd enkelvoud — ontlietenverleden tijd meervoud — ontlatenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ontlaat | ontliet |
| jij | ontlaat | ontliet |
| hij, zij, het | ontlaat | ontliet |
| wij | ontlaten | ontlieten |
| jullie | ontlaten | ontlieten |
| zij | ontlaten | ontlieten |
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben ontlaten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent ontlaten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is ontlaten | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was ontlaten | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd ontlaten | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt ontlaten | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal ontlaten worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal ontlaten zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou ontlaten worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou ontlaten zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had ontlaten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had ontlaten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had ontlaten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden ontlaten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden ontlaten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden ontlaten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt ontlaten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb ontlaten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontlaten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben ontlaten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontlaten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben ontlaten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt ontlaten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontlaten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontlaten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is ontlaten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is ontlaten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ontlaat | gebiedende wijs |
| ontlaat je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| ontlaat me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| ontlaat u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| ontlaat u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| ontlaat u/je , ontlaat je | gebiedende wijs |
| ontlaat zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| ontlaat zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| ontlaat zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| ontlate | aanvoegende wijs |
| ontlate zich | aanvoegende wijs |
| ontlaten | verleden tijd, deelwoord |
| ontlaten je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| ontlaten ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| ontlaten te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ontlaten te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ontlaten te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontlaten te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontlaten te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontlaten worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ontlaten zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| ontlaten zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ontlaten zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontlaten zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontlaten zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontlatend | onvoltooid, deelwoord |
| ontliet | verleden tijd |
| ontliet je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| ontliet me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| ontliet u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| ontliet u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| ontliet zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| ontliet zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| ontliet zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| ontlieten je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| ontlieten ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| ontlieten zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| te hebben ontlaten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te ontlaten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ontlaten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart ontlaten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontlaten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren ontlaten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontlaten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was ontlaten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was ontlaten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was ontlaten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd ontlaten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd ontlaten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd ontlaten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden ontlaten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden ontlaten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden ontlaten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt ontlaten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word ontlaten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden ontlaten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden ontlaten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden ontlaten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt ontlaten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt ontlaten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal me ontlaten | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal ontlaten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ontlaten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ontlaten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal ontlaten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontlaten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ontlaten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ontlaten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontlaten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal ontlaten zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontlaten zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal zich ontlaten | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je ontlaten | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich ontlaten hebben | verleden tijd |
| zich ontlatend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn ontlaten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn ontlaten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn ontlaten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt ontlaten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou ontlaten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ontlaten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ontlaten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou ontlaten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontlaten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontlaten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ontlaten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontlaten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou ontlaten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontlaten zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontlaten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontlaten zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontlaten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontlaten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontlaten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden ontlaten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontlaten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontlaten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontlaten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontlaten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontlaten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontlaten zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontlaten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontlaten zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt ontlaten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt ontlaten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ontlaten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ontlaten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen je ontlaten | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons ontlaten | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ontlaten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ontlaten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
Woordvorm
- voltooid deelwoord van ontlaten
Vervoeging van ontlaten
ontlatenhele werkwoord — ontlietverleden tijd enkelvoud — ontlietenverleden tijd meervoud — ontlatenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ontlaat | ontliet |
| jij | ontlaat | ontliet |
| hij, zij, het | ontlaat | ontliet |
| wij | ontlaten | ontlieten |
| jullie | ontlaten | ontlieten |
| zij | ontlaten | ontlieten |
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben ontlaten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent ontlaten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is ontlaten | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was ontlaten | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd ontlaten | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt ontlaten | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal ontlaten worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal ontlaten zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou ontlaten worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou ontlaten zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had ontlaten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had ontlaten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had ontlaten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden ontlaten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden ontlaten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden ontlaten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt ontlaten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb ontlaten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontlaten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben ontlaten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontlaten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben ontlaten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt ontlaten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontlaten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontlaten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is ontlaten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is ontlaten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ontlaat | gebiedende wijs |
| ontlaat je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| ontlaat me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| ontlaat u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| ontlaat u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| ontlaat u/je , ontlaat je | gebiedende wijs |
| ontlaat zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| ontlaat zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| ontlaat zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| ontlate | aanvoegende wijs |
| ontlate zich | aanvoegende wijs |
| ontlaten | verleden tijd, deelwoord |
| ontlaten je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| ontlaten ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| ontlaten te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ontlaten te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ontlaten te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontlaten te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontlaten te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontlaten worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ontlaten zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| ontlaten zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ontlaten zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontlaten zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontlaten zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontlatend | onvoltooid, deelwoord |
| ontliet | verleden tijd |
| ontliet je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| ontliet me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| ontliet u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| ontliet u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| ontliet zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| ontliet zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| ontliet zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| ontlieten je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| ontlieten ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| ontlieten zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| te hebben ontlaten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te ontlaten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ontlaten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart ontlaten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontlaten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren ontlaten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontlaten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was ontlaten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was ontlaten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was ontlaten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd ontlaten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd ontlaten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd ontlaten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden ontlaten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden ontlaten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden ontlaten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt ontlaten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word ontlaten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden ontlaten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden ontlaten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden ontlaten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt ontlaten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt ontlaten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal me ontlaten | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal ontlaten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ontlaten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ontlaten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal ontlaten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontlaten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ontlaten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ontlaten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontlaten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal ontlaten zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontlaten zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal zich ontlaten | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je ontlaten | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich ontlaten hebben | verleden tijd |
| zich ontlatend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn ontlaten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn ontlaten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn ontlaten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt ontlaten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou ontlaten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ontlaten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ontlaten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou ontlaten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontlaten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontlaten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ontlaten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontlaten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou ontlaten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontlaten zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontlaten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontlaten zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontlaten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontlaten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontlaten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden ontlaten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontlaten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontlaten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontlaten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontlaten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontlaten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontlaten zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontlaten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontlaten zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt ontlaten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt ontlaten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ontlaten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ontlaten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen je ontlaten | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons ontlaten | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ontlaten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ontlaten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
Herkomst
[1],[2] afgeleid van laten met het voorvoegsel ont-
Woordfamilie van ontlaten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ontlaat | gebiedende wijs | ontlaten |
| ontlate | aanvoegende wijs | ontlaten |
| ontlatend | onvoltooid deelwoord | ontlaten |
| ontlatende | woordvorm | ontlaten |
| ontliet | verleden tijd | ontlaten |
| ontlieten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | ontlaten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ontlaten zijn vastgelegd.