ontkiemen
werkwoord ɔntˈkimə(n)Betekenis
- een proces ondergaan waarbij uit een zaadje een kiemplant ontspruit
Hoe spreek je ontkiemen uit?
/ɔntˈkimən/
Ontkiemen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɔ | bot |
| n | nek |
| t | tak |
| k | kat |
| i | riet |
| m | maan |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van ontkiemen
ontkiemenhele werkwoord — ontkiemdeverleden tijd enkelvoud — ontkiemdenverleden tijd meervoud — ontkiemdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ontkiem | ontkiemde |
| jij | ontkiemt | ontkiemde |
| hij, zij, het | ontkiemt | ontkiemde |
| wij | ontkiemen | ontkiemden |
| jullie | ontkiemen | ontkiemden |
| zij | ontkiemen | ontkiemden |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben ontkiemd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent ontkiemd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is ontkiemd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is ontkiemd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ontkiem | gebiedende wijs |
| ontkiemd | verleden tijd, deelwoord |
| ontkiemd te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontkiemd zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontkiemde | verleden tijd |
| ontkieme | aanvoegende wijs |
| ontkiemend | onvoltooid, deelwoord |
| te ontkiemen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn ontkiemd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ontkiemen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart ontkiemd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontkiemd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren ontkiemd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontkiemd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was ontkiemd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was ontkiemd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was ontkiemd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal ontkiemd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontkiemd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ontkiemd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ontkiemen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ontkiemen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ontkiemen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn ontkiemd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn ontkiemd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn ontkiemd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn ontkiemd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt ontkiemd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou ontkiemd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontkiemd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontkiemd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ontkiemen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ontkiemen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ontkiemen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden ontkiemd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontkiemd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontkiemd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontkiemen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontkiemen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontkiemen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt ontkiemd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ontkiemen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen ontkiemd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ontkiemd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ontkiemd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ontkiemen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ontkiemen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ontkiemen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ontkiemen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult ontkiemd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ontkiemen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van kiem met het voorvoegsel ont-
Woordfamilie van ontkiemen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ontkiem | gebiedende wijs | ontkiemen |
| ontkiemd | voltooid deelwoord | ontkiemen |
| ontkiemde | verleden tijd | ontkiemen |
| ontkiemden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | ontkiemen |
| ontkieme | aanvoegende wijs | ontkiemen |
| ontkiemend | onvoltooid deelwoord | ontkiemen |
| ontkiemende | woordvorm | ontkiemen |
| ontkiemt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | ontkiemen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ontkiemen zijn vastgelegd.