ontkleden
werkwoordBetekenis
- zich ~: zijn kleding afdoen
- (minder gebruikelijk):iemand ~: iemands kleding afdoen
werkwoord
- :iemand ~: iemands kleding afdoen transitive
Vervoeging van ontkleden
ontkledenhele werkwoord — ontkleeddeverleden tijd enkelvoud — ontkleeddenverleden tijd meervoud — ontkleedvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ontkleed | ontkleedde |
| jij | ontkleedt | ontkleedde |
| hij, zij, het | ontkleedt | ontkleedde |
| wij | ontkleden | ontkleedden |
| jullie | ontkleden | ontkleedden |
| zij | ontkleden | ontkleedden |
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben ontkleed | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent ontkleed | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is ontkleed | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was ontkleed | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd ontkleed | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt ontkleed | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal ontkleed worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal ontkleed zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou ontkleed worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou ontkleed zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had ontkleed | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had ontkleed | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had ontkleed | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden ontkleed | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden ontkleed | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden ontkleed | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt ontkleed | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb ontkleed | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontkleed | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben ontkleed | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontkleed | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben ontkleed | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt ontkleed | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontkleed | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontkleed | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is ontkleed | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is ontkleed | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ontklede | aanvoegende wijs |
| ontklede zich | aanvoegende wijs |
| ontkleden je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| ontkleden ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| ontkleden zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| ontkledend | onvoltooid, deelwoord |
| ontkleed | gebiedende wijs |
| ontkleed | verleden tijd, deelwoord |
| ontkleed me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| ontkleed te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ontkleed te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ontkleed te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontkleed te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontkleed te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontkleed u/je , ontkleedt je | gebiedende wijs |
| ontkleed worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ontkleed zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ontkleed zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontkleed zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontkleed zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontkleedde | verleden tijd |
| ontkleedde je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| ontkleedde me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| ontkleedde u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| ontkleedde u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| ontkleedde zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| ontkleedde zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| ontkleedde zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| ontkleedden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| ontkleedden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| ontkleedden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| ontkleedt je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| ontkleedt u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| ontkleedt u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| ontkleedt zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| ontkleedt zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| ontkleedt zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| te hebben ontkleed | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te ontkleden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ontkleden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart ontkleed | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontkleed | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren ontkleed | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontkleed | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was ontkleed | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was ontkleed | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was ontkleed | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd ontkleed | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd ontkleed | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd ontkleed | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden ontkleed | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden ontkleed | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden ontkleed | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt ontkleed | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word ontkleed | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden ontkleed | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden ontkleed | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden ontkleed | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt ontkleed | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt ontkleed | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal me ontkleden | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal ontkleden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ontkleden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ontkleden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal ontkleed hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontkleed hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ontkleed hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ontkleed worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontkleed worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal ontkleed zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontkleed zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal zich ontkleden | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je ontkleden | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich ontkledend | onvoltooid, deelwoord |
| zich ontkleed hebben | verleden tijd |
| zijn ontkleed | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn ontkleed | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn ontkleed | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt ontkleed | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou ontkleden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ontkleden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ontkleden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou ontkleed hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontkleed hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontkleed hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ontkleed worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontkleed worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou ontkleed worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontkleed zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontkleed zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontkleed zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontkleden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontkleden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontkleden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden ontkleed hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontkleed hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontkleed hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontkleed worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontkleed worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontkleed worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontkleed zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontkleed zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontkleed zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt ontkleden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt ontkleed hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ontkleed worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ontkleed zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen je ontkleden | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons ontkleden | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ontkleden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ontkleden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
Herkomst
Afgeleid van kleden met het voorvoegsel ont-
Woordfamilie van ontkleden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ontkledend | onvoltooid deelwoord | ontkleden |
| ontkledende | woordvorm | ontkleden |
| ontkleedde | verleden tijd | ontkleden |
| ontkleedden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | ontkleden |
| ontkleedt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | ontkleden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ontkleden zijn vastgelegd.