dubbel
bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoord, werkwoord /ˈdɵbəl/Betekenis
- tweemaal voorhanden
- persoon die in bepaalde scènes een acteur vervangt
- dubbelspel bij de tennissport
- soort bier
Hoe spreek je dubbel uit?
/ˈdɵbəl/
Dubbel bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| ɵ | put |
| b | bak |
| ə | de |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
bijvoeglijk naamwoord
- tweemaal zoveel
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| dubbele | verbogen, stellende trap |
| dubbels | partitief, stellende trap |
zelfstandig naamwoord
- / soort bier masculine, neuter
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dubbelen
- gebiedende wijs van dubbelen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dubbelen
Vervoeging van dubbel
dubbelhele werkwoord
Herkomst
Van het Franse double. In de betekenis van ‘telwoord: tweevoudig’ voor het eerst aangetroffen in 1278
Woordfamilie van dubbel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| dubbels | partitive, positive | dubbel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van dubbel zijn vastgelegd.
Afleidingen en samenstellingen
- dubbel-cd
- dubbelagent
- dubbelbed
- dubbelblind
- dubbelbol
- dubbelchecken
- dubbeldekker
- dubbeldeksrijtuig
- dubbeldekstrein
- dubbelelpee
- dubbelen
- dubbelepunt
- dubbelganger
- dubbelgangster
- dubbelhartig
- dubbelklikken
- dubbelkruis
- dubbelleven
- dubbelloop
- dubbelloopsgeweer
- dubbelmandaat
- dubbelnummer
- dubbelop
- dubbelpartner