onderwerp
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈɔndərˌwɛrᵊpBetekenis
- waar iets over gaat, een thema
- zinsdeel waarnaar de persoonsvorm zich richt en dat bijv. de handelende persoon of zaak beschrijft
Hoe spreek je onderwerp uit?
/ˈɔndərˌwɛrəp/
Onderwerp bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɔ | bot |
| n | nek |
| d | dak |
| ə | de |
| r | rood |
| w | quiz |
| ɛ | bed |
| p | pak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| onderwerpen | meervoud |
| onderwerpje | verkleinwoord, enkelvoud |
| onderwerpjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van onderwerpen
- gebiedende wijs van onderwerpen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van onderwerpen
Vervoeging van onderwerp
onderwerphele werkwoord
Alle 1 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| onderwérp | canonical |
Herkomst
zn: naamwoord van handeling van onderwerpen ww als leenvertaling van Latijn subjectum **[1] in de betekenis van ‘zaak waarover men spreekt’ aangetroffen vanaf 1784 **[2] in de betekenis van ‘als grammaticale term: zinsdeel dat in persoon en getal met vervoegde werkwoord overeenkomt’ aangetroffen vanaf 1585
Woordfamilie van onderwerp
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| onderwerpje | verkleinwoord | onderwerp |
| onderwerpjes | verkleinwoord meervoud | onderwerp |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van onderwerp zijn vastgelegd.