subject
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoordBetekenis
- onderwerp van een zin (zaak waarmee men zich bezighoudt)
- het denkende en beschouwende ik, tegenover het niet-ik ofwel het object
- onderworpen aan, onderhevig aan
- onderwerp
- vak, schoolvak, leervak
zelfstandig naamwoord — neuter
- onderwerp [2] van een zin
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| subjecten | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘onderwerp’ voor het eerst aangetroffen in 1671
Woordfamilie van subject
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| subjecte | woordvorm | subject |
| subjecten | meervoud | subject |
| subjects | woordvorm | subject |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van subject zijn vastgelegd.