thema
zelfstandig naamwoord /tema/Betekenis
- een onderwerp dat behandeld wordt
- een grondgedachte van een kunstwerk of muziekstuk
- de stam
- een grondgedachte van een muziekstuk
- het deel waar de rest van de zin over gaat
- námět
- motiv
- jádro
- réma
- větný člen
Hoe spreek je thema uit?
/tema/
Thema bestaat uit twee lettergrepen.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| e | veel |
| m | maan |
| a | maan |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| thema's | meervoud |
| themaatje | verkleinwoord, enkelvoud |
| themaatjes | verkleinwoord, meervoud |
| themata | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘schoolopgaaf’ voor het eerst aangetroffen in 1717
Woordfamilie van thema
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| thema's | meervoud | thema |
| themaatje | verkleinwoord | thema |
| themaatjes | verkleinwoord meervoud | thema |
| themata | meervoud | thema |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van thema zijn vastgelegd.