nagel
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈnaɣəlBetekenis
- hoornachtige bedekking op de bovenkant van vinger|vingers en teen|tenen
- afdruk van een nagel
- spijker 1 (meestal met een kleine kop)
- (verkorting van) kruidnagel
- spijker
- kruidnagel
- scherpe rand.
Hoe spreek je nagel uit?
/ˈnaxəl/
Nagel bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| n | nek |
| a | maan |
| x | acht |
| ə | de |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- dunne, doorzichtige plaat van harde keratine op de bovenkant van vinger- en teentoppen van mensen en primaten
- spijker [1] (meestal met een kleine kop)
- smalle onderste gedeelte van een bloemblaadje
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| nagelen | meervoud |
| nagels | meervoud |
| nageltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| nageltjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van nagelen
- gebiedende wijs van nagelen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van nagelen
Vervoeging van nagel
nagelhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘hoornplaat op laatste teen- en vingerkootjes’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1287.
Woordfamilie van nagel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| nagels | meervoud | nagel |
| nageltje | verkleinwoord | nagel |
| nageltjes | verkleinwoord meervoud | nagel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van nagel zijn vastgelegd.