janhagel
zelfstandig naamwoord jɑnˈhaɣəlBetekenis
- een rechthoekig, broos koekje, bedekt met grove suiker (de 'hagel') en eventueel amandelschaafsel
- gespuis, gepeupel
Hoe spreek je janhagel uit?
/jɑnˈhaxəl/
Janhagel bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| j | ja |
| ɑ | bad |
| n | nek |
| h | hoed |
| a | maan |
| x | acht |
| ə | de |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- rechthoekig, broos koekje, bedekt met grove suiker en eventueel amandelschaafsel
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| janhagels | meervoud |
zelfstandig naamwoord — neuter
- volk met minder maatschappelijk aanzien, van laag allooi no-plural, pejorative
- NSB'ers no-plural, pejorative
Herkomst
samenstelling van Jan en en hagel zn , geschreven met een kleine letter volgens spellingregel 16.A **m: omdat de suikerkorrels aan hagel doen denken **o: in de betekenis van ‘gepeupel’ voor het eerst aangetroffen in 1650
Woordfamilie van janhagel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| janhagels | meervoud | janhagel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van janhagel zijn vastgelegd.