nagelen
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- met spijkers vastslaan
Vervoeging van nagelen
nagelenhele werkwoord — nageldeverleden tijd enkelvoud — nageldenverleden tijd meervoud — genageldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | nagel | nagelde |
| jij | nagelt | nagelde |
| hij, zij, het | nagelt | nagelde |
| wij | nagelen | nagelden |
| jullie | nagelen | nagelden |
| zij | nagelen | nagelden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben genageld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent genageld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is genageld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was genageld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd genageld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt genageld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal genageld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal genageld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou genageld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou genageld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| genageld | verleden tijd, deelwoord |
| genageld te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| genageld te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| genageld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| genageld te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| genageld te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| genageld worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| genageld zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| genageld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| genageld zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| genageld zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had genageld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had genageld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had genageld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden genageld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden genageld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden genageld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt genageld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb genageld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben genageld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben genageld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben genageld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben genageld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt genageld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft genageld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft genageld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is genageld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is genageld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| nagel | gebiedende wijs |
| nagelde | verleden tijd |
| nagele | aanvoegende wijs |
| nagelend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben genageld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te nagelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen nagelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart genageld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren genageld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren genageld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren genageld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was genageld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was genageld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was genageld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd genageld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd genageld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd genageld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden genageld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden genageld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden genageld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt genageld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word genageld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden genageld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden genageld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden genageld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt genageld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt genageld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal genageld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal genageld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal genageld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal genageld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal genageld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal genageld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal genageld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal nagelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal nagelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal nagelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn genageld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn genageld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn genageld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt genageld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou genageld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou genageld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou genageld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou genageld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou genageld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou genageld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou genageld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou genageld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou genageld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou nagelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou nagelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou nagelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden genageld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden genageld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden genageld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden genageld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden genageld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden genageld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden genageld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden genageld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden genageld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden nagelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden nagelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden nagelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt genageld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt genageld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt genageld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt nagelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen genageld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen genageld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen genageld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen genageld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen genageld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen genageld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen genageld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen genageld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen genageld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen nagelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen nagelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen nagelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen nagelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult genageld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult genageld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult genageld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult nagelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord nagel
Herkomst
Afgeleid van nagel met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van nagelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| genageld | voltooid deelwoord | nagelen |
| nagelde | verleden tijd | nagelen |
| nagelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | nagelen |
| nagele | aanvoegende wijs | nagelen |
| nagelend | onvoltooid deelwoord | nagelen |
| nagelende | woordvorm | nagelen |
| nagelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | nagelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van nagelen zijn vastgelegd.